In bruikleen

Gepubliceerd op 9 april 2026 om 17:31

Vanmorgen stond ik nog eens voor de spiegel. Doe ik zelden. Spiegels zijn nu eenmaal sadistische dingen die geen medelijden kennen. En daarbij, die vent die aan de andere kant van het glas staat herken ik nog wel aan naam en geboortedatum, maar niet meer aan gevoel.

Grijze haren die alle kanten uitsteken, kraaienpootjes rond de ogen, rimpels rond de mond. Ze liggen daar als diepe groeven, getrokken door jaren die niet altijd zacht zijn geweest, door lessen die ge niet gevraagd hebt maar toch gekregen. Gewoon een gezicht dat, zoals zoveel andere, door de tijd zelf wat harder is aangeraakt dan ge eigenlijk had gehoopt.

En als ik — tegen beter weten in — wat langer blijf kijken dan zie ik daar ook andere sporen in terug: een zweem van onrust misschien, iets van angst, twijfel over wat er nog komt, van die stille vragen waar geen mens een pasklaar antwoord op heeft.

En dan denk ik zo, wanneer is dat eigenlijk gebeurd? Wanneer is die man daar stilletjes mijn plaats komen innemen, zonder dat iemand mij daar een formulier voor liet tekenen?

Er was een tijd dat energie gewoon door je lijf stroomde, alsof er ergens een kraan openstond die geen sluitkraan had. Je liep rechtop, zonder nadenken. Je stapte vooruit alsof de wereld een soort eigendom was dat automatisch op jouw naam stond. Geen twijfel. Geen rem. Gewoon gaan.

Maar ergens onderweg is er iets beginnen knarsen.

Niet alleen door de jaren — dat is normaal — maar vooral door dat ene woord dat zich plots in je dossier nestelt en zich daar vastzuigt als een bloedzuiger. Sindsdien kijk je anders naar dat lijf van je. Minder als een kameraad, meer als een gammel stuk gereedschap dat je ooit blindelings vertrouwde en dat nu plots begint te sputteren, te haperen, te protesteren, terwijl een leger dokters er rondloopt met scans, cijfers en grafieken alsof ze een oude machine proberen aan de praat te houden.

De rug buigt een beetje. Niet spectaculair, geen dramatische instorting — nee, gewoon een paar millimeter hier, een paar millimeter daar. Onder een gewicht dat niemand ziet, maar dat er wel degelijk is. De stappen worden voorzichtiger. Niet omdat je ineens bang bent voor een losliggende stoeptegel, maar omdat je intussen weet hoe broos dat lijf eigenlijk is, hoe snel het uit de maat kan lopen als één tandwieltje beslist dat het er genoeg van heeft.

En ja, als ik dan zo naar de spiegel kijk vraag ik me soms af wie die man eigenlijk echt is. Of hij nog iets te maken heeft met die jongen van vroeger die dacht dat hij het leven kon vastpakken en naar zijn hand zetten.

Want als je erover nadenkt is het leven toch maar een vreemd contract.

In het begin lijkt het een royaal cadeau. Je krijgt jeugd, kracht, een lijf dat werkt zonder dat je de handleiding hoeft te lezen. Alles voelt alsof het vanzelfsprekend van jou is. Alsof niemand het ooit nog komt ophalen.

Tot je stilaan begint te merken dat het eigenlijk nooit echt van jou geweest is. Het is geleend.

Niet met een duidelijke einddatum, maar ergens, diep verstopt in de kleine lettertjes waar niemand ooit naar kijkt, stond blijkbaar dat het op een dag weer moest worden ingeleverd. Stukje bij beetje. Eerst de snelheid. Dan de kracht. Daarna de vanzelfsprekendheid. En tenslotte dat stomme idee dat het allemaal wel zal blijven duren.

Het leven komt zijn spullen terughalen zoals een oude huisbaas die zonder aankondiging aan de deur staat. Niet boos. Niet gehaast. Gewoon koppig en onvermijdelijk.

En misschien is het vreemd, maar dat besef helpt. Niet dat het je vrolijk maakt, maar het maakt het geheel beter aanvaardbaar. Zelfs dat lichaam dat nu zo vaak onderwerp is van scans, cijfers en behandelingen, ook dat is uiteindelijk maar tijdelijk in bruikleen.

En daarom denk ik, hoop ik, dat het einde van mijn leven minder brutaal zal aankomen dan ik vrees. Tegen de tijd dat ik daar geraak, heeft het leven al een flink stuk van zijn cadeaupakket teruggenomen. De scherpe randjes van de jeugd zijn al afgerond. De snelheid is verdwenen. De kracht heeft zich stilletjes teruggetrokken. En die rotkanker… die heeft de laatste restjes vanzelfsprekendheid er vakkundig uitgepeuterd.

De illusie dat alles blijft zoals het is, die ligt al lang ergens achter je, samen met andere dingen die je ooit vanzelfsprekend vond.

Het maakt het afscheid misschien net iets draaglijker.

Niet omdat ik er klaar voor zal zijn — dat geloof ik niet — maar omdat je stilaan begint te begrijpen dat je hier eigenlijk alleen maar op bezoek was. Een tijdelijke gast, met een sleutel die nooit echt van jou geweest is.

En dat je uiteindelijk moet vertrekken zoals je gekomen bent.

Met lege handen.

En dat geeft ergens rust. 
Alleen hoop ik, zoals zovelen, dat het nog lang niet voor vandaag zal zijn.