SPROOKJES

Gepubliceerd op 20 november 2025 om 10:44

VERSIE 1
Vroeger dacht ik dat dat onschuldige verhaaltjes waren. Iets voor kinderen, voor zondagmiddag, voor een fleece dekentje en een bak popcorn waar je meer kruimels naast dan in de mond krijgt. Maar sinds kanker in mijn leven is komen wonen — ongevraagd, zonder uitnodiging en zonder einddatum — kijk ik daar anders naar.

Sprookjes zijn geen leugens.
Ze zijn vereenvoudigingen.

Ze tonen het stuk waar de prins kust, maar niet de weken voordien waarin iemand stil achter een gordijn zit te wachten of het nog goed komt. Ze tonen de genezing, maar niet het eindeloze wachten, de onzekerheid, de vermoeidheid die zich als een mist in je hoofd nestelt en daar blijft hangen, zelfs wanneer de buitenwereld al lang weer verder is gegaan.

Neem nu dat idee van “en ze leefden nog lang en gelukkig”.
Voor een gezond mens is dat een geruststellende zin. Voor een kankerlijer klinkt dat eerder als een soort literaire overdrijving. Niet omdat geluk onmogelijk is, maar omdat “lang” plots een rekbaar begrip wordt. Een afspraak, een scan, een behandeling, een controle — je leven wordt niet meer in jaren gedacht, maar in periodes tussen twee medische mijlpalen.

In sprookjes is de vijand duidelijk.
Een draak. Een heks. Een vergiftigde appel.
Bij kanker is er geen dramatische entree. Geen rook, geen donder, geen sinistere soundtrack. Alleen een woord in een consultatiekamer, uitgesproken op een toon die bewust rustig blijft, terwijl je hoofd op datzelfde moment alles begint te herberekenen.

En vanaf dan begint jouw eigen anti-sprookje.

Niet met heldendaden, maar met wachten.
Wachten in wachtzalen met stoelen die allemaal even hard zitten. Wachten op uitslagen die zogezegd “routine” zijn. Wachten op telefoontjes waarvan je hoopt dat ze uitblijven, wat op zich al een bizarre logica is. In sprookjes wacht men op de prins. In de oncologie wacht men op cijfers.

Wat mij altijd opvalt, is hoe de buitenwereld een beetje in sprookjestermen blijft denken.
“Je bent zo dapper.”
“Het komt wel goed.”
“De medische wetenschap staat zo ver.”

Allemaal goedbedoeld. Echt. Maar het klinkt soms alsof men verwacht dat je, net als een sprookjesfiguur, een duidelijke verhaallijn volgt: diagnose, strijd, overwinning, applaus. Terwijl de werkelijkheid veel rommeliger is. Meer grijs. Meer herhaling. Meer kleine ongemakken dan grote drama’s.

En dan heb je nog dat lichaam van je.
In sprookjes herstelt een lichaam haast symbolisch. Een kus, een drankje, een nacht slapen — en hop, weer fris. In het echte leven sleept een lijf zich voort. Het werkt nog, ja. Het functioneert nog. Maar het is geen sprookjeslichaam meer. Het is een behandeld lichaam, een bestraald lichaam, een vermoeid lichaam dat soms gewoon zijn eigen tempo oplegt, of je dat nu wil of niet.

Wat sprookjes ook nooit tonen, is de banaliteit van ziek zijn.
Niet de grote existentiële vragen, maar de kleine dingen: medicatie die op elkaar lijkt, afspraken die door elkaar lopen, een hoofd dat soms net iets trager schakelt en dan denkt: was dit nu chemo-brein, ouderdom of gewoon pech? In een sprookje zou dat één magisch label krijgen. In het echte leven is het een vaag mengsel van alles tegelijk.

En toch begrijp ik waarom we sprookjes nodig hebben.
Niet omdat ze waar zijn, maar omdat ze afronden. Ze geven een einde, een zin, een kader. Iets wat kanker net systematisch wegneemt. Je kan niet meer ver vooruit plannen, niet echt. Zelfs een eenvoudige reis, een paar weken weg met dat oude campertje, moet plots langs scans, behandelingen en controles passeren alsof het langs douaneposten moet.

Het leven wordt geen rechte verhaallijn meer.
Het wordt een reeks hoofdstukken die telkens opnieuw herschreven worden.

Misschien is dat wel de grootste tegenstelling met sprookjes: daar weet de lezer dat het goed komt.
Hier weet niemand dat.

En dus maak je, heel onbewust, je eigen kleine sprookjes.
Niet met prinsessen en kastelen, maar met cappuccino’s, blogs, forumgesprekken en die momenten waarop een dag gewoon… rustig verloopt. Geen slecht nieuws, geen nieuwe complicaties, geen extra zorgen. Voor een buitenstaander banaal. Voor een kankerlijer bijna iets feestelijks.

Geen “lang en gelukkig”.
Maar soms: “vandaag viel het mee.”

En eerlijk gezegd — en dit klinkt misschien minder heroïsch dan men verwacht — dat is een eindezin waar ik het voorlopig best mee kan doen.