De tragedie van een blogger
Vanmorgen kreeg ik een reactie op iets wat ik geschreven had. Een prachtig mooie en lieve reactie.
Het kwam bovendien van iemand die zelf schrijft zoals sommige mensen muziek maken. Een dichteres die met een paar zinnen meer weet te raken dan ik met een halve bladzijde. Iemand van wie ik oprecht denk dat zij in haar kleine pink meer talent heeft dan de hele Mr Willy
Ze schreef dat ze mijn tekst verschillende keren had herlezen. Dat ze er stil van werd. Dat ze er eigenlijk geen woorden voor vond.
Ik heb haar reactie zelf ook een paar keer herlezen.
En plots begreep ik weer waarom ik doe wat ik doe.
Want dat is de tragedie van een blogger.
Niet dat hij schrijft.
Maar dat hij telkens opnieuw denkt dat hij ermee kan stoppen.
Wie mijn blogs leest, ziet een tekst van drie of vier minuten.
Wat ge niet ziet, zijn de uren die eraan voorafgaan.
Het zoeken naar dat ene woord dat net iets juister voelt. Het herschrijven van dezelfde alinea omdat ze nog altijd niet zegt wat ik eigenlijk bedoel. Het schrappen van een bladzijde waar een halve voormiddag werk in zat. Twijfelen. Nog eens lezen. Nog eens veranderen. En op het einde beseffen dat de eerste versie misschien zo slecht nog niet was.
Soms vraag ik me af waar ik eigenlijk mee bezig ben.
Want tijd is intussen een kostbaar bezit geworden.
Er was een tijd dat ik zonder nadenken een namiddag kon verspillen. Nu voelt elke namiddag anders. Niet dramatisch, maar wel kostbaar. Ik weet dat er meer tijd achter mij ligt dan voor mij. Dat maakt elk uur dat ik achter mijn scherm doorbreng ook een uur dat ik niet wandel met mevrouw Willy, niet wat pruts in de tuin of gewoon zit te genieten van een kop cappuccino in de zon.
En toch...
Toch blijf ik schrijven.
Niet omdat ik dat zo leuk vind.
Integendeel.
Soms loop ik volledig leeg op een blog. Dan neem ik me plechtig voor dat het nu echt wel genoeg is geweest. Morgen geen blog. Morgen ga ik gewoon leven in plaats van erover te schrijven.
Dat voornemen houdt het meestal nog geen dag vol.
Want vroeg of laat komt er weer een gedachte aankloppen. Een herinnering. Een beeld. Een zin die zich hardnekkig in mijn hoofd nestelt en weigert nog weg te gaan. Ik probeer ze te negeren, maar ze blijft duwen. Tot ik uiteindelijk mijn computer openklap.
En telkens opnieuw vraag ik mij af waarom.
Eigenlijk weet ik het antwoord pas sinds een paar jaar.
Vroeger schreef ik af en toe eens iets. Omdat ik daar zin in had. Omdat een verhaal zich aandiende. Maar evengoed kon ik weken niets schrijven zonder dat ik daar een seconde van wakker lag.
Tot de kanker in mijn leven kwam.
Die ziekte heeft veel veranderd.
Niet alleen mijn lichaam.
Ook mijn hoofd.
Ze kroop langzaam in mijn gedachten. Ze zat mee aan tafel. Ze wandelde mee. Ze lag naast mij wanneer ik 's nachts wakker werd. Zelfs op mooie dagen bleef ze ergens op de achtergrond aanwezig, als een ongenode gast die maar niet naar huis wilde.
Ik moest daar iets mee.
Niet omdat ik zo graag schrijver wilde zijn.
Maar omdat ik anders kopje-onder ging.
En dus begon ik te schrijven.
Aanvankelijk bijna als een vorm van zelfverdediging.
Om de chaos in mijn hoofd een plaats te geven.
Om angst om te zetten in woorden.
Om verdriet even buiten mezelf neer te leggen.
Misschien is dat ook de reden waarom ik er nooit meer mee ben opgehouden.
Ik schrijf niet ondanks mijn kanker.
Ik schrijf omdat ik anders niet goed zou weten hoe ik met die kanker moet leven.
Woorden werden stilaan mijn manier om adem te halen.
Dat klinkt misschien wat zwaar.
Maar zo voelt het.
En precies daarom zijn die zeldzame reacties zo gevaarlijk.
Niet omdat ze mijn ijdelheid strelen.
Integendeel.
Maar omdat ze mij opnieuw doen geloven dat al die uren misschien toch niet verloren zijn geweest. Dat een verhaal, ergens onderweg, iemand geraakt heeft. Dat woorden soms een klein bruggetje kunnen slaan tussen twee mensen die elkaar waarschijnlijk nooit zullen ontmoeten.
En dan gebeurt er telkens hetzelfde.
Alle goede voornemens verdwijnen.
Ik vergeet hoeveel tijd het schrijven heeft gekost.
Hoe vaak ik heb gevloekt op een alinea die niet wilde lukken.
Hoe vaak ik mezelf heb afgevraagd of dit allemaal wel zin had.
Er blijft alleen dat ene gevoel over.
Misschien was het toch de moeite waard.
Misschien is dat wel de echte tragedie van een blogger.
Dat hij zichzelf om de paar dagen plechtig belooft te stoppen.
Terwijl hij diep vanbinnen al lang weet dat hij niet schrijft omdat hij iets te vertellen heeft.
Maar omdat schrijven de manier is geworden waarop hij overeind blijft.
-----------------------------------------------
De tragedie van een blogger
Om de paar dagen neem ik mij een verstandig besluit.
Morgen blog ik niet.
Het klinkt zo simpel.
Alsof ge gewoon beslist om morgen geen koekjes meer te eten, of de televisie een avond uit te laten.
Maar voor mij is dat blijkbaar een veel groter voornemen dan het zou moeten zijn.
Want bloggen is helemaal niet altijd leuk.
Dat denken veel mensen wel. Die zien een tekstje van een paar minuten leestijd en vermoeden dat ik mij daar een uurtje gezellig mee heb beziggehouden.
Was het maar waar.
Achter bijna elke blog zitten uren waarin ik twijfel, schrap, herschrijf en opnieuw begin. Soms verdwijnt een volledige bladzijde in de prullenmand omdat één alinea niet doet wat ik hoopte. Soms zit ik een kwartier naar één enkele zin te kijken. Niet omdat ik hem niet begrijp, maar omdat hij nét niet zegt wat ik voel.
En terwijl ik met woorden worstel, tikt de klok onverstoorbaar verder.
Dat is misschien nog het moeilijkste.
Tijd is voor mij geen vanzelfsprekend bezit meer.
Ik weet dat er meer achter mij ligt dan voor mij. Daardoor voelt elke namiddag die ik aan een blog besteed ook als een namiddag die ik niet met mevrouw Willy ben gaan wandelen, niet in de tuin heb rondgescharreld of gewoon in stilte heb zitten genieten van een cappuccino in de zon.
Soms vraag ik mij dan ook oprecht af of ik daar wel verstandig aan doe.
Waarom zou ik mezelf dat blijven aandoen?
Waarom kruip ik telkens opnieuw achter dat toetsenbord?
Eigenlijk ken ik het antwoord nog niet eens zo heel lang.
Vroeger schreef ik af en toe eens iets. Gewoon omdat ik daar zin in had. En als ik een maand niets schreef, dan miste ik dat nauwelijks.
Tot de kanker kwam.
Die ziekte veranderde veel meer dan alleen mijn lichaam.
Ze nestelde zich ook in mijn hoofd.
Plots was ze overal. Tijdens het wandelen. Tijdens het eten. Midden in de nacht. Zelfs op de mooie dagen zat ze ergens stilletjes op de achtergrond te wachten tot ik weer even niet oplette.
Ik had het gevoel dat mijn hoofd stilaan volliep.
En toen ben ik beginnen schrijven.
Niet omdat ik schrijver wilde worden.
Niet omdat ik dacht dat iemand daarop zat te wachten.
Maar omdat ik ergens met die wirwar van angst, verdriet, woede en hoop naartoe moest.
Elke blog haalde een klein stukje uit mijn hoofd.
Alsof ik de kanker, al was het maar voor even, kon verhuizen van mijn gedachten naar een blad papier.
Pas veel later besefte ik wat er eigenlijk gebeurd was.
Schrijven was geen hobby meer.
Het was een manier geworden om met mijn ziekte te leven.
Misschien zelfs een manier om af en toe weer een beetje adem te halen.
En precies daarom lukt stoppen niet.
Ik neem het mij telkens opnieuw voor.
Heel oprecht zelfs.
Tot er weer een herinnering langskomt.
Een beeld.
Een zin.
Of een verhaal dat zachtjes aan mijn mouw begint te trekken.
En voor ik het goed en wel besef, zit ik weer te schrijven.
Niet omdat ik dat wil.
Omdat ik blijkbaar niet anders meer kan.
Vanmorgen gebeurde er weer zoiets.
Een lezeres stuurde mij een berichtje over iets wat ik geschreven had. Een dichteres bovendien. Iemand van wie haar eigen woorden mij al meer dan eens hebben geraakt. Ze schreef dat ze mijn tekst verschillende keren had gelezen, dat hij haar ontroerd had en dat ze eigenlijk niet goed wist hoe ze moest zeggen wat hij met haar had gedaan.
Ik heb haar bericht zelf ook meer dan eens herlezen.
Niet uit ijdelheid.
Maar omdat zo'n paar warme zinnen ineens weer betekenis geven aan al die uren waarin ik dacht dat ik mijn tijd misschien wel aan het verspillen was.
Op zulke momenten besef ik dat woorden soms iets wonderlijks kunnen doen.
Ze kunnen een klein bruggetje slaan tussen twee mensen die elkaar nauwelijks kennen, maar elkaar toch even lijken te begrijpen.
En dan denk ik opnieuw hetzelfde.
Misschien was al dat geploeter toch niet voor niets.
Misschien zijn die uren niet verloren geweest.
Misschien...
En precies dát is de tragedie van een blogger.
Dat hij zichzelf om de paar dagen plechtig belooft ermee te stoppen.
Terwijl hij diep vanbinnen al lang weet dat hij niet schrijft omdat hij graag blogt.
Maar omdat schrijven ooit de manier is geworden waarop hij leerde leven met iets waar hij nooit om gevraagd heeft.