De vaders van vroeger, eigenlijk de grootvaders ondertussen, zaten in cafés die naar bier, koude rook en natte jassen roken, met hun pet op het hoofd alsof die er ooit was aangevijld, en een gezicht waarin ge de oorlog, de fabriek en een halve eeuw zwijgen kon terugvinden. Dat waren mannen van ruwe handen en korte zinnen. Liefde was iets dat ge bewees door elke dag te gaan werken, ook met rugpijn, griep of miserie in uw kop. Een kind kreeg eten, schoenen en af en toe een lel als het te bont maakte, en daarmee was de pedagogie grotendeels afgerond.
Gevoelens waren verdacht. Tederheid ook.
Een zoon moest flink zijn, werken, niet te veel zagen en vooral niet “anders” doen. Mijn grootvadergeneratie keek waarschijnlijk naar psychologen zoals wij nu naar alternatieve genezers kijken die met kristallen boven een courgette zwaaien.
Pa willy was al anders. Die sloeg niet meer. Tenminste, niet letterlijk. Maar liefde tonen bleef toch iets waar precies een soort familiale allergie op zat. Hij gaf gaf geen knuffels. Kamillethee en diepgaande gesprekken over gevoelens bestonden even weinig als sushi in de parochiezaal. En naar mijn lange haar keek hij alsof ik persoonlijk de ondergang van de Westerse beschaving had ingezet.
En toch denk ik nu, achteraf, dat hij waarschijnlijk meer van mij hield dan hij ooit heeft kunnen tonen. Dat besef komt dikwijls pas als ge zelf ouder wordt en merkt hoeveel dingen een mens voelt zonder dat hij er woorden voor vindt.
Wij, die zonen, zijn intussen zelf vaders geworden. Geen cafés vol rook meer, maar cappuccino’s, alcoholvrij bier en gesprekken over emoties alsof het jaarlijkse onderhoud van een verwarmingsketel betreft. Geen klappen meer, maar discussies en zachte woorden.
En toch klinkt nog altijd ergens de stem van die oude vaders in ons hoofd:
“Je verwent hem. Maak van dat kind een man.”
Alsof mannelijkheid iets is dat ge met een schop onder zijn kont kunt installeren, gelijk een trekhaak op dat campertje van mij.
Maar hoe voed je een kind op in een wereld die zichzelf sneller vernieuwt dan ik wachtwoorden vergeet? Een wereld waarin technologie sneller verandert dan mijn geheugen kan volgen, waarin waarden vloeibaarder zijn geworden dan soep in een rusthuis, en waarin ge als vader soms niet meer goed weet wat uw rol eigenlijk nog is. Vroeger waart ge de gezagsdrager. Nu zijt ge tegelijk chauffeur, luisterend oor, wifi-helpdesk, psycholoog en occasioneel bankautomaat.
Soms voelde ik mij meer coach dan vader. Meer begeleider dan baas van het gezin. En eerlijk? Misschien is dat maar goed ook. Want die oude hardheid van vroeger… daar zat niet alleen kracht in, maar ook een hoop eenzaamheid. Mijn vader kon moeilijk over gevoelens praten. Ik trouwens ook niet altijd. Dat zit blijkbaar ergens genetisch ingebakken tussen de prostaat en de neiging om naar het weerbericht te kijken alsof het breaking news is.
En voor ge het weet zijt ge ineens zelf grootvader.
En dan kijk ik naar mijn kleinkinderen. Hun ogen glimmen van een wereld die ik amper nog begrijp, hun dromen reiken verder dan mijn generatie ooit durfde denken. Soms vraag ik mij af wat zij later zullen zeggen over hun vaders, en of ze nog iets zullen herkennen van die oude lijn die begon bij die grijze mannen in het café, met hun ruwe handen en hun onvermogen om “ik zie u graag” uit te spreken zonder eerst naar buiten te moeten kijken.
Misschien blijft er toch iets bestaan. Niet de hardheid. Hopelijk niet. Maar misschien wel het koppige proberen. Dat stuntelige verlangen om het beter te doen dan degene vóór u, terwijl ge onderweg ontdekt dat ge zelf ook maar wat aanmoddert.
Vaderschap is uiteindelijk een werk in uitvoering dat pas af is als ge er zelf niet meer zijt om commentaar te geven.
En toch hoop ik — koppig genoeg om daar nog altijd in te geloven — dat ergens in de lach van mijn kleinkinderen, in hun gevoel van veiligheid, in hun vanzelfsprekende vertrouwen, nog een klein stukje van mij zal blijven rondlopen.