Wanneer de lijn trilt

Gepubliceerd op 27 april 2026 om 02:40

Onlangs schreef ik ergens dat ik stikjaloers ben op mensen die diep gelovig zijn. Niet om hun kerkgang of hun psalmen, maar om dat vanzelfsprekende vertrouwen waarmee ze door het leven stappen, alsof er altijd een onzichtbare hand in hun nek duwt: vooruit, ge zijt niet alleen.

Misschien was het door dat neerschrijven dat een herinnering opdook die jarenlang stil onder het stof had gelegen: een gesprek met Pa Willy, ergens aan de waterkant, hengel in de hand, stilte die als een tweede huid om ons heen hing. Ik zal toen een jaar of vijf à zes geweest zijn, met koude knieën en een snottebel die ik telkens met mijn mouw moest wegvegen.

Pa Willy was een gelovige man. Niet opdringerig, niet luid, gewoon iemand die wist dat er meer was dan wat wij kunnen vasthouden. Mijn moeder was het tegenovergestelde: dood is dood, en daarmee was de kous af. Tussen die twee polen groeide ik op, maar het was vooral mijn vader die af en toe het deksel van zijn hart oplichtte. En die dag, aan het water, deed hij dat zonder dat ik erom vroeg.

Hij zat daar zwijgend naast mij, gebogen over zijn doosje met aas, en ik zag hoe hij het stukje worm traag op de haak schoof. Het was prutswerk dat normaal geen aandacht vroeg, maar hij deed het alsof elke beweging eerst moest worden overwogen. Mijn vader vloekte zacht omdat de haak weer eens in zijn vingers prikte — zo’n kleine vloek, half ingeslikt, alsof zelfs dat niet helemaal mocht aan een vijver waar ge eigenlijk stil hoorde te zijn.

En dan bleef hij weer even stil zitten, met de haak tussen zijn vingers, en keek hij naar het water zonder echt iets te zien. Ik zat ondertussen met mijn laarzen wat in het zand te schoppen, meer bezig met een stokje dat ik had gevonden dan met het vissen zelf.

Op een bepaald moment bromde hij iets. Zo half binnensmonds, terwijl hij zijn lijn opnieuw uitwierp.

“Had Paul ook wel schoon gevonden, hier.”

Niet tegen mij gezegd. Meer tegen het water, of tegen zichzelf. Ik weet zelfs niet of ik het toen echt gehoord heb, of dat het gewoon een geluid was dat ergens in mijn hoofd is blijven hangen zonder dat ik begreep wat het betekende.

Hij zei daarna niks meer. Trok aan de lijn, dobber die zachtjes terug op zijn plaats viel, en greep uit de koekjestrommel. Pa snoepte graag.

Ik was toen nog te klein om echt verdriet te voelen. Te klein om te beseffen wat het betekende dat mijn kleine broertje een paar jaar eerder gestorven was aan wiegendood. Dat was een woord dat bestond, maar geen gewicht had. Geen vorm.

Er werd thuis ook nooit over gesproken. Nooit. Geen woorden, geen verhalen. Alleen, tijdens het vissen, af en toe zo’n losse opmerking die ge als kind laat passeren omdat ge er niks mee kunt.

Maar achteraf — jaren later — ben ik dat ene zinnetje blijven horen.

Niet luid. Niet dramatisch. Gewoon dat gemompel, daar aan het water:
“Had Paul ook wel schoon gevonden, hier.”

En nu, als ik eraan terugdenk, zie ik hoe hij toen nét iets te lang naar het water bleef kijken. Alsof hij wachtte op iets wat nooit zou komen. Of op iemand.

“Papa,” vroeg ik zacht, “waarom gaan mensen eigenlijk dood?

Hij zweeg. Weer een greep uit die koekjestrommel. Hij keek naar de overkant van de vijver alsof hij daar, tussen de bomen, iets zag wat ik niet kon zien.

Omdat het bij het leven hoort, jongen. Niemand ontsnapt eraan. Maar wie we waren, dat blijft. Je broertje is niet weg. Hij is er nog — alleen anders. Je moet leren kijken, niet met je ogen, maar vanbinnen.

Ik knikte alsof ik het allemaal begreep — want ge knikt als kind altijd, zeker als uw vader zo spreekt — maar in werkelijkheid snapte ik er geen moer van. Toch geloofde ik hem. Misschien omdat ik het zó graag wilde. Of misschien gewoon omdat hij mijn vader was, en vaders toen nog het soort mensen waren dat ge automatisch geloofde.

Terwijl ik naar het water keek, dacht ik heel even dat zij ergens dáár moesten zijn, verborgen in dat vreemde, zilveren licht dat over het oppervlak gleed.

Nu, zoveel decennia later, zie ik hem nog altijd zitten naast me. De hengel, het water, zijn stilte die meer zei dan honderd preken. Soms vraag ik me af of hij mij wilde troosten, of vooral zichzelf. Of hij, net als ik nu, op moeilijke dagen snakte naar één zekerheid, hoe klein ook, om zich aan vast te houden.

Want eerlijk — nu ik zelf wat krakkemikkiger geworden ben, met een lijf dat meer protesteert dan meewerkt, en dokters die af en toe met woorden smijten waar ge liever niet naar luistert — zou zo’n zekerheid soms verdorie handig zijn. Eén klein bewijsje. Eén teken dat er méér is dan pillen, scans en wachten op uitslagen.

En toch — en dit durf ik bijna niet luidop te zeggen — is er iets gebleven van die middag. Iets wat niet slijt, hoezeer het geheugen ook rafelt. Want telkens wanneer ik vandaag naar de nachtelijke hemel kijk, of naar een vijver waar het water zacht rimpelt onder een bries die nergens vandaan lijkt te komen, voel ik een draad gespannen tussen mij en hen die er niet meer zijn. Geen zichtbare lijn, geen mirakel, gewoon een fluistering diep in het lijf, zoals de trilling van een vislijn die zacht meetrekt zonder dat er beet is.

En soms — héél soms — beweegt die lijn echt. Onverklaarbaar. Een rilling in de stilte. Dan hou ik mijn adem in, mijn hart slaat een slag over, en denk ik niet aan hemel of hel of welke theologie dan ook. Neen. Ik denk aan hém. Mijn vader. En aan dat kleine broertje dat nooit heeft leren spreken, maar misschien wel — voor één seconde — even aan onze lijn trok om te zeggen dat hij er nog is.

En op dat moment begrijp ik mijn vader helemaal.