Ik las het ergens tussen twee cappuccino’s door.
Zo’n klein berichtje, weggestopt tussen politiek gekibbel en reclame voor matrassen die zogezegd uw leven veranderen.
Desmond Morris is dood. Achtennegentig geworden.
Achtennegentig…
Dat is zo’n leeftijd waar ge als gewone sterveling al even van moet slikken, maar voor een kankerlijer krijgt dat woord iets bijna utopisch. Iets uit een andere wereld. Zo’n leeftijd waarvan ge denkt: dat zijn geen jaren meer, dat zijn bonushoofdstukken. Extra bladzijden die de meeste van ons nooit in handen krijgen.
En toch heeft hij ze gekregen, die oude observator van onze soort. De man die ons ooit zonder verpinken beschreef als een naakte aap — een dier dat zich met kleren, rituelen en beleefdheid probeert wijs te maken dat het iets heel bijzonders is.
En hoe ouder ik word, hoe meer ik moet toegeven dat hij gelijk had.
Wij zijn een rare soort. We lopen rond met onze borst vooruit, pratend over wetenschap, technologie en vooruitgang, terwijl we ondertussen bang zijn voor dezelfde dingen als elk ander dier: pijn, verlies, aftakeling… en het moment waarop het lichaam niet meer wil wat het hoofd nog graag zou bevelen.
Op een bepaald moment moest ik ineens denken aan iets wat Morris ooit schreef — of wat ik mij toch meen te herinneren, want met dat geheugen van tegenwoordig weet ge nooit of het een citaat is of een hersenspinsel van uzelf.
Dat wij mensen zo trots zijn op onze grote hersenen. Altijd maar praten over intelligentie, beschaving, vooruitgang… alsof dat ons paradepaardje is. Maar dat wij tegelijk ook, biologisch gezien, een van de primaten zijn met het meest opvallende mannelijk gereedschap — en dat we daar dan plots een stuk minder filosofisch over doen.
Een rare gedachte eigenlijk. Want als ge het mij vraagt, als prostaatkankerlijer, dan is dat hele hoofdstuk tegenwoordig vooral historisch erfgoed. Een museumstuk bijna.
Niet dat het ding verdwenen is — het hangt er nog, trouw als een oude jas die ge niet meer draagt — maar wat ge er ooit mee kon doen, dat behoort stilaan tot dezelfde categorie als cassettebandjes en zwart-wittelevisie.
Bestond ooit. Werkte ooit. Wordt nu vooral nog met een zekere nostalgie bekeken, zoals ge soms naar een oude foto kijkt en denkt: amai, dat was toen precies toch nog een ander lijf.
En ergens vind ik dat dan weer typisch voor die naakte aap.
Heel zijn leven trots op zijn hersenen, stoer over zijn lichaam… tot er een moment komt waarop dat lichaam zachtjes begint terug te plooien, en hij merkt dat sommige functies niet verdwijnen met een knal, maar met een soort beleefde aftocht.
Zonder trompetgeschal. Gewoon minder.
Misschien had Morris daar wel plezier in gehad, om dat allemaal te observeren. Niet uit leedvermaak, maar uit nieuwsgierigheid. Hoe wij mensen, zelfs als ons territorium kleiner wordt — van wereld naar huis, van huis naar ziekenhuisgang — toch blijven doen alsof we het nog allemaal netjes onder controle hebben.
Met vaste koffiemokken. Vaste stoelen. Vaste afspraken in agenda’s waar meer witte jassen dan vakanties in staan.
Typisch gedrag van een dier dat weigert om op te geven.
En ergens is dat misschien wel het mooiste aan onze soort.
Dat een mens, zelfs als hij merkt dat zijn lijf stilaan protesteert, dat sommige hoofdstukken definitief achter hem liggen en andere steeds korter worden toch blijft plannen maken, blijft schrijven, blijft denken dat er nog iets komt na morgen.
Desmond Morris heeft het tot 98 gebracht.
Een leeftijd waar ik — en met mij veel andere naakte apen met een medisch dossier — toch een beetje jaloers naar kijk.
Niet met bitterheid. Maar met een soort stille verwondering. Alsof ge naar een oude soortgenoot kijkt die het uitzonderlijk lang heeft volgehouden in een wereld waar het voor velen van ons al een hele prestatie is om gewoon nog een paar hoofdstukken extra te mogen schrijven.
Maar ondertussen lopen wij hier toch ook nog rond.
Met onze grote hersenen. Met ons krakkemikkig lijf. Met herinneringen aan dingen die ooit vanzelfsprekend waren.
Nog altijd diezelfde naakte aap.
Een beetje versleten misschien.
Maar nog niet verdwenen.