Zo van die dagen

Gepubliceerd op 6 mei 2026 om 15:42

De dagen dat ik aan je denk zijn de dagen dat ik wou dat ik dat niet deed.

Soms zijn er dagen waarop ik helemaal niet aan kanker denk. Niet bewust toch.

Althans dat probeer je, want nog vóór de dag goed en wel begonnen is, ligt daar dat doosje al te wachten.

Abiraterone eerst. Altijd eerst. Op een lege maag, zoals het hoort. Geen cappuccino, geen hap eten. Gewoon slikken en wachten.

Een uur lang. Een uur waarin de dag nog niet echt mag beginnen. Waarin je rondloopt, wat rommelt, misschien al eens naar buiten kijkt, maar waarbij je weet dat het gewone leven nog even op slot zit.

En pas daarna zet ik koffie — cappuccino natuurlijk, twee lepeltjes in een te grote mok, zoals altijd — en doe ik wat mensen doen die zogezegd gewoon leven. Wat rommelen op de pc. Een paar mails. Misschien een blogje lezen op het forum. Iets schrijven. aan m'n boekjes werken. Buiten kijken of het weer de moeite is om een rondje te wandelen.

En ergens, in die eerste minuten van die cappuccino, lijkt het even alsof alles normaal is. Alsof ik gewoon een man ben met wat grijze haren, een iets tragere motor en een computer die alweer te veel tabbladen open heeft staan.

Maar dan komt hij terug. Niet dramatisch. Niet met tromgeroffel.

Gewoon een gedachte.

Dat kleine zinnetje dat zich ergens tussen twee andere gedachten wurmt.

De dagen dat ik aan je denk zijn de dagen dat ik wou dat ik dat niet deed.

Het rare aan kanker is dat hij niet altijd pijn doet.
Soms zit hij gewoon in je hoofd, als een huisgenoot die nooit meer vertrekt. Iemand die niet eens veel lawaai maakt, maar waarvan je altijd weet dat hij ergens in de kamer staat. Achter je. Of naast je. Of gewoon stil op een stoel zit te wachten tot jij weer even naar hem kijkt.

En ik kijk.

En dat is het probleem.

Je kunt proberen hem te negeren. Echt waar. Dat lukt soms een paar uur. Misschien zelfs een halve dag. Dan zit je bijvoorbeeld te schrijven, of te lezen op het forum, en denk je: zie je wel, het leven gaat gewoon verder.

Tot je ergens een woord leest. Of een zin.

Of iemand schrijft over een scan. Een bloedwaarde. Een nieuwe behandeling.

En plots zit hij weer naast je. Niet agressief. Niet dramatisch. Maar aanwezig.

Alsof hij zachtjes met zijn elleboog tegen je ribben tikt.

"Vergeet mij niet."

Ik weet dat er mensen zijn die zeggen dat je er niet te veel aan mag denken. Dat je moet leven in het moment. Dat je moet genieten van de kleine dingen.

En ze hebben gelijk. Dat zijn verstandige adviezen — meestal gegeven door mensen die ’s avonds hun hoofd kunnen neerleggen zonder dat er iemand stil op een stoel zit te wachten.

Alleen… zo werkt een hoofd niet. Een hoofd is geen kamer waar je zomaar iemand kan buitenzetten.

Het is eerder een soort stationshal waar gedachten binnenwandelen wanneer ze daar zin in hebben. Sommige blijven even staan. Andere nemen meteen weer de volgende trein. En soms staat er één koppige reiziger die geen ticket nodig heeft en toch nooit vertrekt.

En kanker, die heeft blijkbaar een abonnement. Hij komt en gaat wanneer hij wil.

En dus zijn er dagen dat ik hem niet zie. Dat ik bijna vergeet dat hij bestaat.

Maar er zijn ook dagen — van die stille, doordeweekse dagen — waarop hij plots weer voor me staat.

Niet als een monster. Niet als een vijand. Meer als een herinnering. Dat het leven geen contract is. Geen garantie. Geen abonnement dat automatisch verlengd wordt.

Misschien is dat wel het vreemdste cadeau dat kanker me gegeven heeft.

Niet de angst. Die had ik al.

Maar het besef dat een dag waarop je hem even vergeet eigenlijk een heel goede dag is.

En dat een dag waarop je aan hem denkt…

soms gewoon een dag is waarop je je cappuccino drinkt terwijl er, ergens achter je, nog altijd een stoel bezet blijft.