Zalig Pasen

Gepubliceerd op 5 april 2026 om 08:04

Pasen — toch nog eentje

We zijn dus bepakt en geladen.
De camper staat klaar alsof hij al ongeduldig staat te trappelen, de laatste spullen liggen op hun plaats, en binnen een paar uurtjes trekken we richting Loonse en Drunense Duinen. Een paar dagen eruit, wat wandelen, wat frisse lucht happen en — zoals ik gisteren plechtig had aangekondigd — waarschijnlijk wat minder blogs.

Maar ja… ’t is Pasen.

En Pasen zomaar laten passeren zonder een paar woorden neer te pennen, dat voelt toch een beetje als een paasdag zonder eitjes: het kan wel, maar het mist iets. Dus voilà… nog snel eentje, tussen het inladen van de laatste rommel en het controleren of ik mijn bril, sleutels en waardigheid niet ergens vergeten ben.

Pasen dus.
Dat moment in het jaar waarop de supermarkten plots ontploffen van chocolade-eieren, paashazen met verdachte glimlachen en mandjes die zogezegd gevuld moeten worden voor brave kinderen — en voor minder brave grootouders, want laat ons eerlijk zijn: ook wij kijken nog altijd eens schuin naar zo’n praline-ei alsof het een verboden vrucht is.

Vroeger draaide Pasen bij ons rond eieren zoeken: zoeken in de tuin, tussen struiken waar je handen vuil werden en je knieën nat. De spanning van “waar zou er nog eentje liggen?” en de stille hoop dat je broer of zus dat ene grote ei niet eerder zou vinden. Dat waren kleine avonturen, maar toen voelden ze groot genoeg om een hele dag te vullen.

Nu is Pasen anders.
De tuin is nog dezelfde, de struiken ook, maar het zoeken heeft een andere vorm gekregen. Tegenwoordig zoeken we geen eieren meer, maar momenten. Goede dagen. Rustige dagen. Dagen waarop het lichaam niet te veel protesteert en het hoofd zich een beetje gedeisd houdt.

Want ergens zit daar die kanker tussen. Die schuift mee aan tafel, zonder dat iemand hem heeft uitgenodigd. Niet zichtbaar, niet hoorbaar, maar altijd aanwezig, die ongenode gast die weigert op te stappen.

Je leert ermee leven, wat moet je anders. Je maakt een grapje, je heft een glas, je doet alsof het allemaal nog redelijk normaal is — en soms lukt dat ook nog.

Maar toch…
Pasen blijft een beetje het feest van opnieuw beginnen, zeggen ze. Van verrijzenis en nieuw leven. Grote woorden, waar een mens met een lijf vol gebruikssporen soms wat sceptisch naar kijkt.

Want eerlijk is eerlijk: ik verwacht geen mirakels meer. Geen plots nieuw leven, geen wonderbaarlijke herstart van een lichaam dat zich gedraagt alsof het nog dertig is. Nee, voor mij zit het wonder tegenwoordig in kleinere dingen.

In wakker worden en denken: “Ah, vandaag valt het nog mee.”

In een wandeling die lukt zonder dat je onderweg begint te onderhandelen met je eigen knieën.

In een tas cappuccino die nog altijd smaakt zoals hij hoort te smaken.

In een paar woorden die zich gewillig op papier laten zetten.

Dat zijn tegenwoordig mijn paaseieren. Niet verpakt in blinkend folie, maar verstopt in gewone dagen die, als je goed kijkt, toch nog verrassend veel glans hebben.

En dus, bij deze Pasen, wens ik jullie eigenlijk geen grootse dingen.
Geen mirakels, geen heroïsche wedergeboortes, geen wereldschokkende ommezwaaien.

Ik wens jullie iets veel eenvoudigers.

Dat er nog genoeg dagen mogen zijn waarop het leven zich een beetje gedeisd houdt.
Dat de slechte momenten zich koest houden, liefst ergens ver weg in een hoek waar ze niemand lastigvallen.
Dat er af en toe nog iets te lachen valt — al is het maar om een flauwe grap of om jezelf, omdat je alweer vergeten bent waar je je bril hebt gelegd.

En misschien zit er ook een klein beetje ijdele hoop in mijn eigen paaswens.
De hoop dat ik dit nog vaak mag doen.
Dat ik nog vele keren zo’n stukje mag schrijven, nog vele keren “zalig Pasen” mag wensen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

Want uiteindelijk zijn het niet de grote wonderen waar ik op hoop, maar op herhaling.
Nog eens een lente.
Nog eens een Pasen.
En daarna, als het een beetje meezit, nog eentje.

Zalig Pasen, allemaal.