Soms gaat een mens niet kapot met veel lawaai.
Geen vallende boekenrekken. Geen dramatische diagnoses in een donker bureel met een arts die zijn bril afzet en diep zucht. Geen violen op de achtergrond.
Soms glijdt ge gewoon langzaam weg. Zoals een oude zetel die elk jaar een beetje dieper doorzakt zonder dat ge precies kunt aanwijzen wanneer het begonnen is.
Bij mij begon het met lopen. Of beter gezegd: met niet meer lopen.
Vroeger liep ik. Iedereen weet dat. Heb er blogs genoeg over geschreven. Niet snel genoeg voor de Olympische Spelen, maar toch genoeg om mezelf wijs te maken dat ik nog een halve jonge god was. Daarnaast ging ik fitnessen. Niet fanatiek zoals die mannen die hun kip met een keukenweegschaal afmeten, maar ook weer goed genoeg om het gevoel te hebben dat mijn lichaam nog meewerkte in plaats van alleen commentaar te geven.
Dan kwam de achteruitgang. Lopen ging niet meer. Werd rucken. Rugzak op, stevig doorstappen, een beetje stoer doen alsof ik een overlevingsspecialist was terwijl er in werkelijkheid cappuccino in mijn thermos zat en een boterham met kaas in mijn rugzak.
Maar zelfs dat begon stilaan moeilijker te worden.
En dan verdween de fitness.
“Voor even,” zei ik toen nog tegen mezelf.
Ge kent dat: te moe, te weinig zin, teveel gedoe. Volgende week terug.
Alleen kwam dat “volgende week” dus niet meer terug.
En daarna werd rucken wandelen.
En wandelen werd soms gewoon “een stukje gaan stappen”.
En uiteindelijk kwamen de dagen waarop zelfs dat teveel moeite leek.
Dat zijn van die overgangen die ge bijna niet merkt terwijl ze gebeuren. Tot ge ineens beseft dat ge alweer een trede lager zijt afgedaald zonder dat iemand daar een officiële melding van gemaakt heeft.
En stilzitten is een verraderlijk beest.
Want ge denkt dat ge uitrust, terwijl ge eigenlijk langzaam kleiner aan het worden zijt. Niet alleen fysiek, maar ook in uw hoofd. Uw wereld krimpt ongemerkt mee. Eerst verdwijnt de beweging. Daarna het enthousiasme. Daarna de goesting. En dan begint ge soms zomaar ergens in een hoekje te zitten kijken alsof ge per ongeluk in uw eigen leven terechtgekomen zijt zonder nog goed te weten wat ge daar precies moet doen.
Zelfs bloggen begon moeite te kosten. En dat was misschien nog het confronterendste van allemaal.
Schrijven was altijd iets dat vanzelf ging. Mijn uitlaatklep. Mijn manier om de rommel in mijn hoofd een beetje op orde te krijgen. Maar de laatste tijd merkte ik dat zelfs dat begon te wegen. Niet altijd fysiek, maar mentaal. Een onderwerp bedenken voelde soms als een berg beklimmen. Een tekst afwerken als een verplicht nummer. Soms keek ik naar het scherm en dacht ik: laat maar.
En dat is een akelig moment hoor. Als zelfs de dingen die u recht hielden beginnen weg te glijden.
En dan kwamen de spanningen thuis daar nog bovenop.
Want Mevr willy is zelf ook geen jong veulen meer. Die sukkelt ook. En die heeft mijn steun en hulp nodig. Maar steeds vaker werd zij degene die míj moest rechthouden, terwijl dat eigenlijk een rol is die niet bij haar past.
Gevolg: meer irritaties. Meer woordwisselingen. Meer van die kleine ruzies die eigenlijk niet over de afwas of een verkeerde opmerking gaan, maar over twee vermoeide mensen die allebei moeite hebben om overeind te blijven.
En dan komt ge op een punt waarop ge uzelf iets heel onaangenaams moet toegeven. Dat het echt de slechte richting uitging.
En dat ge het je niet kan permitteren om af te glijden. Omdat ge voelt dat stilvallen gevaarlijk wordt.
Voor jezelf. Voor je hoofd. Voor Mevr willy. Vooral daarvoor.
Dus hebben we iets geprobeerd wat eigenlijk belachelijk eenvoudig klinkt: terug wat meer leven maken.
Minstens één keer per week op stap.
Geen wereldreizen met een rugzak door Patagonië. Gewoon weg. Een wandeling. Een marktje. Een paar dagen met de Scudo. Iets om naar uit te kijken. Iets dat niet over bloedwaarden, scans of ziekenhuizen gaat.
En ik heb — hou j vast — opnieuw een fitnessabonnement genomen.
Ja ja. Mr Willy tussen de gespierde jonge wolven met hun T-shirts maat XXXL en armen zo dik als rioolbuizen. Een mens zou voor minder terug naar huis rijden.
Maar toch.
Omdat ik stilaan begin te begrijpen dat fitness op mijn leeftijd eigenlijk niet meer over spieren gaat.
Het gaat er niet meer om dat ik plots opnieuw een fitnessgoeroe moet worden die op Instagram motivational quotes post tussen twee proteïneshakes. God beware me.
Maar gaat over weerstand bieden.
Tegen dat afglijden. Tegen dat ineenkrimpen van uw wereld. Tegen die stem in uw hoofd die zegt dat het allemaal toch geen zin meer heeft.
En vreemd genoeg voelt dat herbeginnen tegelijk hoopvol én vernederend. Want ge beseft constant wat ge verloren hebt. Ge zijt niet meer de man van drie jaar geleden. Uw lichaam onderhandelt tegenwoordig over alles alsof het een vakbond is die eerst de kleine lettertjes wil lezen.
Maar misschien moet dat ook niet meer het doel zijn. Misschien is de echte overwinning tegenwoordig gewoon: proberen te blijven meedoen. Niet volledig verdwijnen in uw zetel. Niet alleen nog patiënt worden. Niet wachten tot het leven gedaan is terwijl ge eigenlijk nog leeft.
Nou ja… soms lukt dat. Soms ook niet.
Maar bon. Morgen ga ik wel weer fitnessen. Al is het maar om achteraf het gevoel te hebben dat ik tenminste nog koppig genoeg ben om mij niet helemaal gewonnen te geven.