De mensen uit de streek spreken er niet graag over.
Niet omdat het geheim is — daarvoor wordt er in cafés veel te veel gezopen en geklapt — maar omdat niemand precies weet wat er ooit gebeurd is tussen de bomen van het Hulstmans Bos.
Er bestaan alleen flarden. Een paar oude verhalen. Een verdwenen hond. Een boswachter die midden in de winter zonder jas teruggevonden werd aan de rand van Schapenhagen, alsof hij in volle paniek was beginnen lopen en onderweg vergeten was waarvoor.
En altijd opnieuw diezelfde zin: "Daar klopt iets niet als de mist laag hangt."
Nu moet ge weten: ik geloof normaal gezien niet in spoken, bosgeesten of andere bovennatuurlijke toestanden. Ik geloof vooral in slechte knieën, versleten wandelschoenen en cappuccino's die ongemerkt richting luxegoed aan het evolueren zijn.
Maar toch. Toen Mevr willy en ik die ochtend richting Schapenhagen vertrokken, hing er zo'n eigenaardige stilte over het landschap waarvan ge onmiddellijk voelt dat ze ouder is dan uzelf.
Geen vogel. Geen wind. Zelfs de bomen leken precies te wachten.
In het begin schonk ik daar weinig aandacht aan. Een mens denkt dan: ach ja, vroeg op de ochtend, wat nevel, weinig volk. Pas een paar honderd meter later hoorde ik het voor het eerst.
Een fluittoon. Heel zacht. Niet echt een melodie. Meer zo'n hoge toon waarvan ge eerst denkt dat het ergens van ver komt. Een vogel misschien. Of wind tussen takken.
Ik keek nog even rond. Niks.
En omdat ge op mijn leeftijd meer geluiden hoort die uiteindelijk van uw eigen lichaam blijken te komen dan van de buitenwereld, wandelde ik gewoon verder. Het pad liep eerst nog braaf tussen open stukken groen en lage begroeiing, met hier en daar een bordje van Natuurpunt dat u vriendelijk verzocht op het pad te blijven, alsof men wist dat ge beter nergens anders terechtkwam.
Maar verderop begon het terrein te veranderen. De hellingen werden steiler. De bomen dichter.
En toen hoorde ik die fluittoon opnieuw. Kort. Hoger nu. Niet luid. Maar zo'n geluid dat zich precies ergens achter uw oren nestelt.
Ik bleef staan. "Hoort gij dat?" vroeg ik.
Mevr willy keek op. "Niks."
Dat stelde mij vreemd genoeg niet gerust. Want als ge samen wandelt en slechts één van de twee hoort iets eigenaardigs, dan zijn er eigenlijk maar twee mogelijkheden.
Of er zit iets in het bos. Of in uw hoofd.
En op mijn leeftijd durft ge niet altijd meer gokken welke van de twee erger is.
Nu ja. Misschien was het gewoon mijn leeftijd. Of mijn geheugen. Of de halve liter cappuccino die ondertussen tegen mijn blaas duwde als een wanhopige vakbondsdélégué.
Maar toch.
Want hoe verder we stapten, hoe vaker die toon terugkwam. Altijd net te kort. Altijd net te ver weg.
En tegen de tijd dat we aan dat oude, half weggezakte bankje kwamen midden tussen de dennen, was ik al lang gestopt mezelf wijs te maken dat ik mij iets inbeeldde.
Daar zag ik iets waar ik achteraf nog veel over zou nadenken. Er stonden namelijk géén namen in gekrast.
En dat klopt niet in Vlaanderen. Want overal waar een bank staat, kerft vroeg of laat wel een verliefde mens "Joske ❤️ Marina" in het hout. Of iets van die strekking
Maar hier niet. Alleen één enkele zin. Diep uitgesneden. Scheef.
Alsof iemand ze haastig had aangebracht.
"Niet verder gaan als ge gefluit hoort."
En precies op dat moment klonk die fluittoon opnieuw.
Veel harder nu. Veel dichter.
Zo dichtbij dat ik plots niet meer wist of hij uit het bos kwam of van vlak achter ons................
.
.
.
Nou, bovenstaande heb ik natuurlijk een klein beetje aangedikt. Het blog moet een beetje spannend en leesbaar blijven. Stijl Mr willy. Zet mij tussen een paar bomen, een verlaten bankje en wat ochtendmist, en mijn hoofd begint onmiddellijk scenario's te schrijven, tenminste toch als dat chemobrein zich een beetje rustig houdt.
In werkelijkheid was het allemaal veel eenvoudiger begonnen.
Met Waarloos.
Want lang geleden — en ik spreek hier over de tijd waarin kinderen nog buiten speelden zonder gps-tracker, helm en psycholoog — heeft Mevr willy daar haar mooiste kinderjaren doorgebracht. Waarloos was toen nog echt een boerendorp. Zo eentje waar iedereen iedereen kende, waar geheimen gemiddeld drie uur geheim bleven en waar een mens nog wist wie zijn buurman was zonder eerst op Facebook te moeten kijken.
Haar ouders hadden daar een grote speelgoedwinkel. Schoonpa Willy was schrijnwerker en maakte meubels. Naast hen zat een bakker, en die mens had tien kinderen. Tien.
Ge moet dat even laten bezinken. Tien kinderen.
Dat was geen gezin meer, dat was een kleine gemeentelijke instelling. Zo'n huishouden waarvan ge verwacht dat er permanent iemand op een stoel staat te roepen, een kip door de keuken loopt en ergens een pan overkookt. Een tafereel recht uit Jan Steen.
En, zoals gezegd, in een dorp als dat kende iedereen elkaar. Zeker als ge een winkel had. Dan waart ge niet alleen handelaar, maar tegelijk sociaal centrum, nieuwsredactie, meldpunt en roddelkantoor.
En dus, zeker na het bezoek aan grootmoeders huis, wou Mevr Willy terug. Naar Waarloos. Op zoek naar herinneringen.
En het vreemde met herinneringen is: in uw hoofd staan die nog altijd netjes op hun plaats. Alsof ge denkt dat ge een deur gaat opendoen en dat alles daar gewoon op u heeft zitten wachten.
Maar de moderne tijd heeft daar andere ideeën over.
De oude school stond er nog.
Café De Trapkes ook.
En die elektrische winkel waar Mevr willy vroeger met haar zussen naartoe trok om te gaan wandelen met hun kleine
Maar het ouderlijk huis: weg. Afgebroken.
In de plaats stond nu een appartementsblok. Zo'n modern ding waarvan ge onmiddellijk voelt dat binnen vijftig jaar niemand nostalgisch gaat zuchten: "Ach ja, hier heb ik als kind mijn mooiste jaren beleefd."
En die oude bakkerij was ook verdwenen. Weg.
In de plaats zo'n blinkende moderne zaak waar ze vooral van die mini-dingetjes verkopen waarvan ge nooit goed weet of ge ze moet eten of bewonderen. Petits fours, frambozenkubusjes, artistieke mousseconstructies en andere gastronomische bouwwerken. Maar vraag een gewoon gesneden brood en ge krijgt precies het gevoel dat ge midden in een Ferrari-garage vraagt of ze toevallig nog paardenhoeven hebben liggen.
En dan kwam Mevr willy een oudere dame tegen.
En plots gebeurde wat altijd gebeurt wanneer twee mensen elkaar herkennen na tientallen jaren. De tijd gaf zich gewoon over.
En ineens vlogen de namen rond alsof ze gisteren nog samen op straat gespeeld hadden.
"A ja, dat café, da's overgenomen door dieje..."
"En die elektriciteitswinkel? Da's de dochter nog begonnen..."
"Maar die is ziek..."
"En de moeder leeft nog..."
"Woont nu in Aartselaar..."
"En die tien kinderen van de bakker..."
En zo ging het verder.
Hove.
Lint.
Nog ergens één.
Nog ergens twee.
En de rest? Ja...
Op den duur draaide mijn hoofd als een tol. Vergeleken daarmee was mijn kankermallemolen een rustige draaimolen op de Sinksenfoor.
Ik kende ondertussen mensen die ik nooit ontmoet had. Ik hoorde van ouders die allang gestorven waren, van kinderen die verhuisd waren, van winkels die verdwenen waren en van mensen die blijkbaar nog leefden terwijl ik niet eens wist dat ze ooit bestaan hadden.
Maar Mevr willy straalde.
En eigenlijk draaide heel die dag daarom. Niet om gebouwen. Niet om bakstenen.
Maar om dat vreemde moment waarop ge merkt dat sommige plaatsen verdwijnen, terwijl de mensen ze in hun hoofd toch blijven meesleuren.
Nadien zijn we nog wat gaan wandelen.
Veel bos. Veel natuur.
En onderweg kwamen de herinneringen gewoon opnieuw boven.
"Hier gingen we salamanders vangen..."
"Kijk, die oude spoorweg..."
"Die was toen nog in gebruik..."
En ineens besefte ik dat ge eigenlijk niet terugkeert naar een dorp. Ge wandelt gewoon een paar uur rond in iemand anders zijn verleden.
En dat is, als ge geluk hebt, misschien nog mooier.
En voor de goede orde: we hebben geen gefluit meer gehoord.
Al denk ik wel dat ik één keer iets hoorde aan dat bankje.
Maar dat kunnen evengoed mijn darmen geweest zijn. .