Buurman hoest.
Niet een beetje, maar diep. Hard. Zo'n hoest die uit een mens komt alsof zijn longen al jaren iets willen zeggen en daar nu pas toestemming voor gekregen hebben.
's Avonds zit hij buiten. Halve nachten soms. En dan klinkt het door de tuin. Hoest. Stilte. Hoest. Stilte. Het heeft iets koppigs. Alsof hij met zijn eigen lichaam ruzie aan het maken is.
Ik ken hem eigenlijk niet echt. Op straat zeggen we hallo. Meer niet. Maar door dat hoesten is hij tegenwoordig elke avond een beetje op bezoek.
Vreemd eigenlijk, hoe mensen ongemerkt in je leven kunnen sluipen. Niet via gesprekken of vriendschap. Gewoon via geluid.
En dan begin ik te denken. Dat gebeurt meer tegenwoordig. Zo 's nachts, of 's morgens vroeg, achter de PC
Vroeger dacht ik minder. Of misschien dacht ik evenveel, maar stak ik alles ergens weg. In een schuifje. Mensen van mijn generatie deden dat. Ge voelde iets, ge duwde erop, en klaar. Maar tegenwoordig komt van alles zomaar teruggewandeld.
En ineens moest ik denken aan school. Niet aan rekenen. Niet aan turnen. God beware me.
Maar aan opstellen schrijven.
Ik deed dat graag. Triestige opstellen vooral.
Ik weet niet waarom. Misschien omdat verdriet gemakkelijker schrijft dan geluk. Geluk zit gewoon wat te bestaan. Verdriet maakt lawaai. Donkere wolken, verlaten kinderen, kale bomen in regenweer — dat soort ellende.
Ik was goed in regen. Ik kon regen laten vallen alsof ik hem zelf gemaakt had. Op daken. Tegen ramen. Op vensterbanken waar hij zacht lag te sissen. Precies echt.
En boeren. Van die zwijgende mannen met handen als schuurpapier en gezichten die eruitzagen alsof ze te lang buiten hadden gehangen.
Die kwamen dan thuis van hun veld, aten zwijgend hun pap en gingen met de kippen op stok.
Ik schreef dat er altijd bij. Niet omdat het belangrijk was. Maar omdat ik die uitdrukking mooi vond.
En misschien ook omdat ik vermoedde dat de meester dat graag las.
En onderaan mijn blad stond dan in rode inkt:
Flink zo!
Ik zie dat nog voor mij. Dat rood.
Niet die woorden zelf. Dat uitroepteken. Dat was belangrijk. Dat was geen inkt. Dat was aandacht.
De meeste verhalen ben ik vergeten. Maar eentje herinner ik me nog.
Dat ging over een klein jongetje. Rob. Een ongelukkig ventje dat woonde in een huis waar de muren kou uitademden en waar dingen nooit uitgesproken werden.
En Rob hoestte.
Zo'n droge, schurende hoest. Net als buurman nu.
Of zoals die oude man — ik was nog kind — vroeger in onze straat. Die van den oorlog. Als het mooi weer was zetten ze hem buiten in een zetel. En daar zat hij dan.
Dagenlang.
Te hoesten.
"Gas," fluisterden de mensen. En meer werd daar niet over gezegd.
Ik herinner me nog dat ik dacht dat gas blijkbaar iets verschrikkelijks moest zijn. Want volwassenen begonnen ineens stiller te praten.
En die man bleef hoesten.
Ik liet Rob ook zo hoesten.
En natuurlijk regende het.
Bij mij regende het altijd.
Vreemd eigenlijk.
Tegenwoordig schrijf ik nog altijd.
Alleen noem ik het geen opstellen meer maar blogs.
Over ziek zijn.
Over wakker liggen.
Over verdwalen in mijn eigen hoofd.
Over dingen verliezen.
En blijkbaar schrijf ik nog steeds over regen.
En mensen die hoesten.
En dan komt er ergens een reactie. Een paar woorden. Een glimlach. Een duimpje.
En dan denk ik dat ik eigenlijk nog een beetje hetzelfde gebleven ben.
Dat kleine ventje van vroeger zit nog ergens binnenin. Nog altijd een beetje te wachten.
Niet op applaus. Gewoon op iemand die zachtjes, bijna tussen de regels door, zegt:
Flink zo, Mr willy.
Maar toch met een uitroepteken erachter