Bij het eerste ochtendlicht trokken de verkenners van het leger van Mr Willy het slagveld op.
Veel viel er niet meer te verkennen. Overal lagen de resten van de gevechten van de afgelopen maand. Paracetamol lag ergens half onder een omgevallen strijdwagen. Diclofenac was nauwelijks nog herkenbaar en wat verderop lagen de gehavende troepen van Tramadol verspreid tussen de rotsen. Ze waren ooit vol goede moed ten strijde getrokken. Het had niet mogen baten.
En verderop werd het landschap grimmiger. Daar had het zware geschut zijn sporen nagelaten. Morfine had diepe kraters in het slagveld geslagen. Meer Morfine was aangevoerd. Fentanyl had dagenlang de berg onder vuur genomen. Daarna meer Fentanyl. Oxycodon had geprobeerd de toegangswegen af te sluiten en telkens wanneer de vijand toch door de linies brak, was OxyNorm uitgerukt. De snelle interventiemacht. Snel, meedogenloos en meestal behoorlijk doeltreffend.
Maar nooit definitief.
Een van de verkenners bracht langzaam zijn kijker naar zijn ogen. Heel hoog boven hen, ergens tussen de donkere rotsen van T4 en T5, wapperde nog altijd een kleine zwarte vlag.
De vlag van Ettertje.
En Ettertje was sterker geworden. Na iedere aanval trok hij zich een tijdje terug in zijn vesting. Soms uren. Af en toe bijna een hele dag. Dan werd het stil op de berg en beneden begon voorzichtig het idee te groeien dat ze hem misschien eindelijk klein hadden gekregen.
Maar altijd kwam hij terug.
Vooral 's nachts had Ettertje een nieuwe tactiek ontwikkeld. Wanneer de troepen van Mr Willy sliepen, kroop hij uit zijn vesting. Eerst voorzichtig. Een klein vuurtje hier. Een steek daar. Rustig verder stoken terwijl niemand iets merkte. Tegen de tijd dat ergens in de vroege ochtend alarm werd geslagen, stond hij soms al midden in het kamp.
Dan werd OxyNorm uit zijn bed getrommeld en begon de tegenaanval. Het werkte. Nog altijd. Maar beneden op het hoofdkwartier zagen ze ook wat er gebeurde. De aanvallen kwamen vaker. De gevechten werden heviger. En iedere keer moesten er meer troepen paraat staan om Ettertje weer terug zijn berg op te jagen.
Er was ooit een tijd geweest dat het hoofdkwartier voor zulke problemen een beroep kon doen op het Hemelvuur.
T4 kende het Hemelvuur maar al te goed. Tot tweemaal toe hadden de wachters de hemel boven de berg zien oplichten. Vuur was uit de wolken neergedaald, de rotsen hadden gebeefd en de muren van de vesting waren verschroeid. Ettertje had toen geleerd dat zelfs hij beter af en toe zijn kop kon intrekken.
Maar die tijd was voorbij.
De Maarschalk van het Hemelvuur kwam die middag zelf het hoofdkwartier binnen. De oude kaarten van T4 en T5 werden nog één keer opengevouwen. Er werd gekeken, gemeten en gerekend.
Daarna werden ze weer dichtgevouwen. Het vuur uit de hemel was voorgoed uit deze strijd verdwenen. T4 had al twee aanvallen doorstaan. Een derde kwam er niet. Niet morgen. Niet volgende week. Zelfs niet als Ettertje nog harder begon te schreeuwen.
Boven op de berg moet Ettertje het nieuws ongeveer op hetzelfde ogenblik hebben gehoord. Hij kwam langzaam uit zijn vesting, liep naar de rand van de rots en keek naar beneden. Toen begon hij te lachen.
Achter hem verscheen een tweede Ettertje. Toen een derde. Een vierde. Een vijfde.
Vijf kleine zwarte vlaggen werden boven op de berg geplant.
Maar beneden op het hoofdkwartier keek niemand meer naar de hemel.
De Maarschalk verdween met zijn generaals achter gesloten deuren. Helemaal achter in de oorlogskamer stond een zware ijzeren kast. Daarin lagen de noodplannen. Verzegelde documenten die jaren geleden waren opgesteld. Opgesteld voor de dag waarvan iedereen hoopte dat hij nooit zou komen.
De Maarschalk verbrak het zegel. Eén voor één werden de geheime plannen op tafel gelegd. Er werd gelezen. Gefluisterd. Een telefoon ging over. Boodschappers verdwenen in alle richtingen.
Tot uiteindelijk één dossier overbleef. Op de omslag stond slechts een klein zilveren teken.
De Maarschalk keek naar zijn generaals. “Roep de Orde.”
Er vertrok één boodschap. Naar een eenheid waarvan maar weinigen het bestaan kenden.
De Orde van de Zilveren Naald.
Over die Orde werd weinig gesproken. Ze bestormden geen bergen en gooiden geen bommen. Hun opdracht was ook niet om Ettertje te vernietigen. Ze hadden een ander specialisme. Zij vochten niet met kanonnen, legers of vuur uit de hemel. De strijders van de Orde kenden oude wegen, verborgen doorgangen en plaatsen die voor gewone troepen onbereikbaar waren.
En in hun arsenaal bevond zich een wapen dat nog niet was ingezet. Niemand buiten de Orde kende de precieze werking ervan. Alleen dat het niet bedoeld was om de muren van T4 te breken of Ettertje uit zijn vesting te verdrijven.
Het moest dieper doordringen. Tot achter zijn verdedigingslinies. Tot bij het vuur zelf.
Ettertje had ondertussen gehoord dat er beneden in het dal iets gaande was. Hij zag de boodschappers komen en gaan. Hij zag 's nachts nog licht branden in het hoofdkwartier. En hij wist dat ergens achter de gesloten poorten plannen werden gemaakt. Maar hij had legers zien komen en verdwijnen. Hij had het zware geschut doorstaan. Tweemaal was het vuur uit de hemel neergedaald en nog altijd wapperde zijn vlag boven de berg. Wat konden ze nog tegen hem beginnen?
Wat Ettertje niet wist, was dat diep onder het hoofdkwartier de deuren van het arsenaal van de Orde inmiddels waren geopend.
En dat daar iets werd klaargemaakt wat niet van plan was zijn vesting aan te vallen.
Het zou proberen het vuur waarop zijn macht rustte, te doven.
Hoog boven T4 en T5 had Ettertje daar geen weet van. Daar was het feest inmiddels begonnen. Vijf grote vuren verlichtten de bergtoppen. De zwarte vaandels wapperden in de nacht en tussen de rotsen klonk gezang. Vaten werden aangeslagen. Bekers gingen rond. De vijf Ettertjes vierden hun overwinning.T4 en T5 waren van hen.
Dachten ze.
Want diep beneden in het dal werd niet gefeest. Daar brandden achter gesloten vensters nog enkele lichten. Boodschappers kwamen en gingen zonder een woord te zeggen. De strijders van de Orde van de Zilveren Naald verzamelden zich. Wapens werden klaargemaakt. Bevelen gingen van hand tot hand. Niemand sprak luider dan nodig.
Geen trompetten. Geen trommels. Geen legers die zich aan de voet van de berg verzamelden. Alleen stilte.
De nacht verstreek. Langzaam doofden boven op T4 en T5 de feestvuren. De laatste bekers werden leeggedronken. Eén voor één verdwenen de Ettertjes in hun vesting. De zwarte vaandels hingen roerloos in de nacht.
Beneden bleef de Orde wakker. De wapens waren gereed. De bevelen gegeven.
Nu werd er alleen nog gewacht. Nog enkele uren.
En dan zou achter de bergen het eerste licht verschijnen.