Bij het eerste licht gingen de poorten open.
De vijf Ettertjes hadden de nacht ervoor hun overwinning gevierd en lagen waarschijnlijk nog ergens hun roes uit te slapen.
En dat kwam goed uit.
Want de feestvuren boven op T4 en T5 waren nog maar nauwelijks gedoofd toen beneden in het dal een kleine groep krijgers van de Orde van de Zilveren Naald het hoofdkwartier verliet. Geen trompetten. Geen trommels. Geen vaandels.
De Orde was niet van plan de berg te bestormen. Want de verkenners hadden namelijk iets ontdekt.
Terwijl de legers van Mr Willy de afgelopen weken hun aanvallen op T4 en T5 hadden gericht, waren de Ettertjes onder de grond bezig geweest. Vanuit hun vestingen hadden ze een heel netwerk van gangen gegraven. Smalle, kronkelende tunnels die diep door de berg liepen en zich onderweg steeds verder vertakten.
Sommige liepen helemaal door tot aan de Ribbenwal, de grote gebogen verdedigingsmuur rond het binnenland van Mr Willy. Daar hadden de Ettertjes kleine openingen in de rotsen gemaakt. Schietgaten. Ze hoefden hun veilige vestingen niet eens meer te verlaten. Vanuit T4 en T5 konden ze hun speren en brandende pijlen door de gangen sturen en op de meest onverwachte plaatsen laten opduiken.
Een smerig systeem. Maar wel een verdomd goed systeem. De Maarschalk van het Hemelvuur had de dag voordien nog naar de vestingen gekeken. Het Hemelvuur kon daar niet meer worden ingezet. Die weg was definitief afgesloten.
Maar de Orde keek niet naar de vestingen. Ze keek naar de gangen. Want ergens diep in die gangen lag misschien de mogelijkheid om Ettertje te raken zonder ook maar één steen van T4 of T5 aan te vallen.
De krijgers vertrokken nog voor de zon boven de bergen stond. Ze droegen nauwelijks bagage. Geen zware zwaarden, geen schilden, geen stormrammen. Alleen touwen, enkele kleine kisten en in het midden van de groep, zorgvuldig in doeken gewikkeld, het wapen waaraan de Orde haar naam dankte.
De Zilveren Naald.
De eerste kilometers verliepen zonder problemen. De gangen waren smal, maar begaanbaar. Af en toe vonden ze een gebroken pijl, een achtergelaten speer of de resten van een vuurtje. Bewijs dat de verkenners gelijk hadden gehad. Ettertje zat hier. Of had hier gezeten.
Na een tijdje werd de gang smaller. De krijgers moesten gebukt verder. Daarna op handen en knieën.
En toen zette de voorste krijger zijn voet op de verkeerde steen. De berg ontplofte. Rotsblokken kwamen uit het plafond. Er schoot ergens een speer uit een muur en een tweede krijger verdween vloekend in een kuil waarvan iedereen vijf seconden eerder nog gezworen zou hebben dat die er niet lag.
Boobytraps.
Ettertje mocht dan een ettertje zijn, achterlijk was hij niet. Vanaf dat moment werd iedere meter bevochten. Achter losse stenen zaten vallen. Vanuit donkere zijgangen vlogen pijlen. Een vloer die betrouwbaar leek, bleek ineens te bewegen. En ergens halverwege hadden de Ettertjes zelfs een stuk gang zo smal gemaakt dat de krijgers de Zilveren Naald er centimeter voor centimeter doorheen moesten wringen.
Het werd een ellendige tocht. En een pijnlijke. Heel pijnlijk zelfs.
Maar de Orde ging verder. Kilometer na kilometer, steeds dieper de berg in, tot ze uiteindelijk de plaats bereikten waar verschillende gangen samenkwamen. Hier liepen de grote verbindingen vanuit T4 en T5 naar de buitenste flanken van de berg. Hier werden de speren verdeeld. Hier verdwenen de brandende pijlen naar de ribbenwal
Hier moest het gebeuren. De krijgers legden de Zilveren Naald bloot. Niemand sprak. Met vereende krachten werd ze diep tussen de rotsen gedreven, tot op een plaats waar geen gewoon wapen ooit had kunnen komen. Toen werd haar lading vrijgegeven. Geen explosie. Geen vuur. Zelfs geen rook. Alleen iets dat langzaam tussen de stenen verdween en zich van daaruit een weg zocht naar de gangen eromheen.
Meer konden ze niet doen. De Orde trok zich terug. En die terugtocht werd minstens zo ellendig als de heenweg. De boobytraps waren niet plots verdwenen omdat hun opdracht volbracht was. Dezelfde rotsen, dezelfde nauwe doorgangen, dezelfde kilometers terug naar het dal. Tegen de tijd dat de eerste krijgers eindelijk weer door de poorten van het hoofdkwartier strompelden, waren ze kapot.
Geen heldenontvangst. Geen muziek. Ze legden hun wapens neer en vielen ongeveer om waar ze stonden.
Meer konden ze niet doen. De Orde trok zich terug. En die terugtocht werd minstens zo ellendig als de heenweg. De boobytraps waren niet plots verdwenen omdat hun opdracht volbracht was. Dezelfde rotsen, dezelfde nauwe doorgangen, dezelfde kilometers terug naar het dal. Tegen de tijd dat de eerste krijgers eindelijk weer door de poorten van het hoofdkwartier strompelden, waren ze kapot.
Mr Willy had de hele operatie van dichtbij gevolgd. Iedere meter. Iedere valstrik. Iedere verdomde stap door die gangen. Tegen de tijd dat de Orde terugkeerde, zag ook hij eruit alsof hij persoonlijk mee door die berg gekropen was.
Geen heldenontvangst. Geen muziek. De krijgers legden hun wapens neer en vielen ongeveer om waar ze stonden.
Mr Willy deed ongeveer hetzelfde. De rest van de dag werd er vanuit het hoofdkwartier weinig meer vernomen.
Maar de oorlog was nog niet voorbij.
Want later die dag verscheen opnieuw een boodschapper van de Orde. Hij droeg geen wapen. Alleen een klein verzegeld flesje dat hij zonder veel uitleg op de tafel van het hoofdkwartier zette.
Nog iets uit het arsenaal van de Orde. Een oud gif. Niet bedoeld om Ettertje te doden. Zelfs niet om hem pijn te doen.
Dit spul werkte anders. Het moest langzaam in zijn gangenstelsel terechtkomen en daar de boodschappen verstoren. Een bevel dat vanuit T4 vertrok, moest ergens onderweg verdwalen. Een brandende pijl mocht best worden afgeschoten, zolang ze maar nooit meer aankwam waar Ettertje haar hebben wilde.
Of dat zou lukken wist niemand. Het gif was nog maar pas toegediend.
Boven op T4 en T5 waren de vijf Ettertjes ondertussen eindelijk wakker geworden.
Ettertje had hoofdpijn. De overwinning van de avond voordien was blijkbaar stevig gevierd, maar een veldheer heeft nu eenmaal verplichtingen. Hij strompelde naar buiten, keek over de rand van zijn vesting en zag diep beneden het hoofdkwartier van Mr Willy liggen.
Alles leek rustig. Verdacht rustig.
Ettertje riep een van zijn makkers. Een brandende pijl werd klaargemaakt. “De Ribbenwal.”
De boog werd gespannen. De pijl verdween in een van de ondergrondse gangen. Ze wachtten. Niets.
Ettertje fronste. Nog een pijl. Een andere gang. Weer niets.
Nu kwamen ook de andere Ettertjes kijken. Een derde pijl verdween de berg in. Ergens heel diep onder hun voeten klonk een doffe tik. Daarna opnieuw stilte.
Ettertje liep naar de ingang van de dichtstbijzijnde tunnel en keek naar binnen. Er was niets te zien. Alleen duisternis.
Beneden in het dal werd die stilte ook opgemerkt. Mr Willy stond voor het hoofdkwartier en keek naar de bergen. Hij wist wat de Orde daarbinnen had achtergelaten. Hij wist ook dat later nog een tweede gif aan de strijd was toegevoegd.
Maar of het werkte? Daarvoor was het veel te vroeg. Misschien waren de gangen alleen even stil. Misschien lagen de Ettertjes alweer ergens nieuwe pijlen klaar te maken. Misschien deed het gif precies wat de Orde ervan verwachtte.
Niemand wist het. Dus werd er beneden niet gejuicht. Geen overwinningsvuren. Geen trompetten. Mr Willy bleef alleen nog even naar T4 en T5 kijken.
Maar hoog boven hem legde Ettertje zijn oor tegen de rots. Want heel diep in de berg kroop ondertussen iets door de gangen.
Langzaam.
Onzichtbaar.
En voor het eerst die dag lachte hij niet meer.