SCHAPULIER

Gepubliceerd op 22 december 2024 om 10:35

De Stijve was onze meester in de eerste klas. Zo noemden wij hem — uiteraard niet in zijn gezicht — omdat hij altijd kaarsrecht liep. Hij had iets in zijn rug, denk ik, want bukken ging hem duidelijk niet af.

Als er dus een lei op de grond viel, of een griffel onder een bank rolde, dan werd dat een hele onderneming. Heel uitzonderlijk liet De Stijve zich dan, met zichtbaar veel moeite, langzaam op één knie zakken om het ding zelf op te rapen. Maar meestal bleef hij gewoon recht staan, als een lantaarnpaal in de klas, en liet zijn blik streng rondgaan over de banken tot een van ons begreep dat dit een stille opdracht was en zich geroepen voelde om het voor hem op te rapen.

Over hem had ik het dus.

Mijn kleinkinderen bekeken mij sprakeloos, alsof ik een prehistorische vondst was. Ik zag dat ze moeite hadden om mij te geloven.

“Bij De Stijve leerden wij schrijven met een lei en een griffel,” had ik gezegd.

Ze bekeken mij ongelovig.
“Toch geen lei en een griffel gelijk wij in het museum van Bokrijk gezien hebben?”

“Jawel, gelijk in het Museum van Bokrijk.”

“Exact zo’n lei en griffel.”

Ze keken me aan. Toen naar elkaar.

En ik zag het al gebeuren in hun hoofd: het begint dus toch. Eerst hormonen. Dan chemo. En nu blijkbaar ook tijdreizen.

Waarschijnlijk dachten ze dat het chemobrein eindelijk volledig was doorgeschoten en dat hun daddy nu langzaam terug begon te schuiven richting middeleeuwen. Vandaag een lei en een griffel, morgen zou ik misschien beweren dat ik nog les had gekregen van een Benedictijner monnik met ganzenveer.

Of erger: dat mijn opa een holbewoner was die zich in beestevellen hulde en vuur maakte door twee stenen tegen elkaar te slaan.

“Een lei en een griffel,” herhaalde ik koppig, want sommige waarheden moet een mens verdedigen.

En ik vertelde hoe er in de houten rand van die lei een klein gaatje zat waar een koordje doorheen liep met een sponsje. Daarmee veegden wij de lei schoon.

Alleen… dat sponsje moest natuurlijk nat zijn.

En dus spuwden wij erop.

Na een paar weken begon dat ding te ruiken alsof er een kleine dode rat in zat te weken.

Maar daar maakte niemand zich druk over. In die tijd bestonden er nog geen milieueffectrapporten, geen hygiënische richtlijnen en zeker geen bezorgde groene jongens die een sponsje kwamen redden.

Onze pen veegden we af aan pennelapjes — kleine stukjes stof die aan elkaar genaaid waren.

“Een soort schapulier,” zei ik.

“Een wát?” vroegen ze.

Toen begon ik te beseffen dat ik blijkbaar het stadium had bereikt waarin mijn verhalen klinken alsof ze uit een kloosterarchief komen.

Ze keken opnieuw naar mij zoals men kijkt naar iemand die misschien net een kleine hersenbloeding heeft gehad. Of zoals een arts kijkt naar een patiënt die na drie chemo’s plots begint te beweren dat hij Napoleon persoonlijk gekend heeft.

“Een lei en een griffel,” herhaalde ik met een zeker welbehagen. “En er was een gaatje in de houten lijst van de lei en daaraan hing een koordje met een sponsje om de lei af te vegen. Daar spuwden wij eens op om het nat te maken, en na een tijdje stonk het geweldig. En onze pen veegden we af aan pennelapjes: allemaal kleine aan mekaar genaaide lapjes, precies gelijk een schapulier.”

“Een schapulier?”

Ze dachten weer dat ik een nieuwe lichte trombose gedaan had en me andermaal van tijdrekening vergiste. Want wat een schapulier was, wisten ze ook niet. Ze hadden zelfs het woord nooit gehoord.

En ik maar uitleggen tegen alle ongeloof in. Weer bekeken ze mij als één van de eerste christenen uit de Catacomben.

Dat was voor mijn kinderen het moment waarop ze beseften dat dit misschien toch geen gevolg was van mijn medicatie, maar van iets nog erger: ouderdom.

Ik probeerde hen te troosten.

“Later krijgen jullie ook een goede oude tijd,” zei ik. “Maar daarvoor moet je eerst oud genoeg worden.”

En dan zouden zij ooit aan tafel zitten en zeggen tegen hun kinderen:

“Ik weet nog goed dat wij moesten schrijven met een laptop.”

Waarop hun kinderen zouden antwoorden:

“Een laptop? Wat is dat?”

Want tegen die tijd schrijven ze waarschijnlijk rechtstreeks met hun gedachten op een wolkje in de cloud.

En die laptop waar hun vader het over had, zal dan klinken als iets uit de oertijd van de technologie — ongeveer zoals wij nu praten over bloedzuigers, schedelboringen en de eerste apparaten om nierstenen te vergruizen. Dingen uit een tijd dat de geneeskunde nog half op hoop en half op hamers draaide.

Alles verandert.

En het gaat verschrikkelijk snel.

Ik voelde mij plots een beetje als een gerookte makreel uit de tijd dat diepvriezers nog niet bestonden.

En ergens in mijn hoofd dacht ik:

Misschien moet ik bij de volgende controle toch eens vragen of chemobrein ook tijdreizen veroorzaakt.

Je weet maar nooit.