Het Groot Smoelenboek

Er bestaan boeken die gewicht hebben.
Niet omdat ze zo dik zijn, maar omdat ze iets meedragen dat ge niet zomaar naast u neerlegt.
Dit is zo’n boek. Al ziet het er op het eerste gezicht niet zo uit, met al die lachende gezichten, guitige ogen en scheve grijnzen die u hier vanuit elke bladzijde aankijken.

Want laat ons daar geen doekjes om winden: kanker is geen vrolijke bedoening. Het is geen hobbyclub, geen wandelvereniging, en al zeker geen plek waar ge vrijwillig lid van wordt. Het is vooral ellende. Droefenis. Wachten op uitslagen, bijwerkingen waar ge soms kop noch staart aan krijgt, en dagen waarop ge denkt dat ge het allemaal wel onder controle hebt — tot het leven u weer eens zachtjes maar beslist bij de keel grijpt.

En toch, toch gebeurt het daar, tussen al dat gedoe en die miserie, dat er soms iets onverwacht opduikt. Iets kleins. Iets lichts. Iets dat even doet vergeten dat het leven soms meer lijkt op een slecht geschreven toneelstuk dan op een vrolijke komedie.

Zo is dit boek begonnen.

Niet met grootse plannen. Niet met de ambitie om een monument te bouwen of een naslagwerk voor de eeuwigheid te maken. Nee, gewoon uit een beetje baldadigheid. Voor de leut. Op een avond — of misschien was het een nacht, want die lopen bij mij nogal eens door elkaar — had ik het idee om een paar karikaturen te maken van lotgenoten. Gewoon omdat het kon. Omdat het plezant was. Omdat het eens iets anders was dan praten over PSA-waarden, scans en medicatie.

Een paar smoelen, een paar lachjes, een beetje overdreven neus hier, een paar rimpeltjes daar. Niks bijzonders.

Tot Zweef — in zijn grenzeloze creativiteit en met dat lichtjes ontspoorde brein dat hem zo eigen was — het beestje een naam gaf.

“Het smoelenboekje,” zei hij.

En daarmee was het geboren.
Zoals dat gaat met goede ideeën: niemand weet nog precies wanneer het begon, maar plots was het er, en voor ge het weet groeit het uit tot iets dat groter is dan uzelf.

Wat ge hier in handen hebt, is dus geen kunstboek. Geen studie. Geen verzameling met pretenties. Het is gewoon een pretentieloze bundel gezichten. Karikaturen van mensen die, net als gij en ik, ooit op een dag een woord te horen kregen dat hun leven voorgoed veranderde.

Lotgenoten.

Mensen met verhalen achter hun glimlach. Met zorgen achter hun ogen. Met moed waar ge soms alleen maar stil van kunt worden.

In dit eerste deel staan ze hier gewoon zoals ze zijn: lachend, kijkend, een beetje uitvergroot misschien, maar vooral herkenbaar. Mensen van vlees en bloed, die ondanks alles nog altijd de kracht vinden om te lachen — al is het soms maar met een halve mond.

En dan is er nog het tweede deel. Dat is nog in volle constructie, zoals dat dan heet. Daar zal bij elk gezicht een klein stukje verhaal komen. Geen lange levensbeschrijvingen, geen heldendichten, maar korte biografieën, in hoofdzaak door de persoon zelf geschreven. Woorden uit hun eigen hoofd, hun eigen hart.

Zo groeit dit boek stilaan uit tot iets dat meer is dan een verzameling tekeningen.
Tot een soort herinneringsalbum. Geen zwaar, plechtig monument, maar een warme verzameling verhalen en gezichten die samen een stukje geschiedenis vormen.

Een mooie herdenking, op een manier die past bij wie we zijn: met een glimlach, een knipoog, en hier en daar een brok in de keel.

Want als kanker ons iets geleerd heeft — en geloof me, dat lijstje is lang — dan is het wel dat achter elk gezicht een verhaal zit. En dat elk gezicht het waard is om herinnerd te worden.

Zelfs — of misschien vooral — wanneer het met een beetje humor gebeurt.

Het Boek

(onder constructie)