Hadden wij slakken oren gehad, dan waren ze vermoedelijk vanzelf dichtgeklapt zodra onze moeder begon te praten. Niet uit ondankbaarheid — ge hebt tenslotte maar één moeder — maar gewoon uit pure overlevingsdrang. Mijn moeder bezat namelijk een talent dat ge bij veel slakkenmoeders terugvindt: tegelijk bezorgd, dramatisch én vermoeiend zijn. Haar stem kwam niet uit haar mond, maar rechtstreeks in uw kop terecht. Telepathisch. Ge zat rustig ergens een zacht blaadje weg te knabbelen en plots hoorde ge: Gaston, niet onder die bloempot. Gaston, blijf weg van die merel. Gaston, ge eindigt nog als een natte plek op een sandaal.
Wij woonden toen helemaal achteraan in de tuin van Mr Willy, ergens voorbij de brandnetels, dicht tegen de mestvaalt. Niet bepaald een chique buurt. Vochtig, donker, voortdurend ruzie met de naaktslakken en in de zomer rook het daar alsof de dood zelf composteerde. Maar voor moeder was het veilig. Dáár draaide alles om.
En boven al haar waarschuwingen stond één gebod dat dagelijks minstens twintig keer herhaald werd:
"blijf weg van het terras van Mr Willy."
Dat terras had onder slakken bijna mythische proporties. Oude slakken fluisterden erover zoals mensen praten over de Himalaya of de Noordpool. Een enorme stenen vlakte zonder schaduw, waar plots gigantische trillingen opdoken, waar stoelen over de grond schoven als donderende monsters, en waar ergens bovenaan Mr Willy woonde — een reusachtig wezen met een eeuwige mok cappuccino in de hand en een onbegrijpelijke neiging om slakken op te tillen en ergens anders neer te zetten.
Volgens moeder had ze daar al hopen kinderen verloren. “Die denkt dat hij helpt,” zuchtte ze dan telepathisch. “Maar ge ziet uw familie nooit meer terug.”
Maar onder slakken gingen er ook andere verhalen rond. Dat hij eigenlijk vriendelijk was. Dat hij verdwaalde slakken oppakte en ergens veilig neerzette alsof hij de baas van de tuin was. En ge hoorde ook nog andere dingen. Dat hij wat in de sukkelstraat zat. Dat hij vroeger meer rondliep. Dat hij tegenwoordig vaker gewoon stil naar de tuin zat te kijken, alsof hij probeerde te onthouden waar alles precies stond.
En ik weet niet waarom, maar juist dat maakte mij razend nieuwsgierig. Misschien, dacht ik soms, overdrijft moeder gelijk altijd weer een beetje. Volgens haar was zelfs een egel al bijna een natuurramp. En eerlijk gezegd begon ik haar gezaag stilaan beu te worden. Iedere dag dezelfde waarschuwingen. Iedere dag dezelfde miserie. Ge mocht nergens heen. Ge mocht niks beleven. Volgens haar was de ideale slak iemand die zijn hele leven tussen twee kroppen sla bleef zitten tot hij vanzelf oud werd.
En ge kent jonge slakken. Die hebben ook testosteron in hun bloed. Dus vertrok ik op een ochtend. Zonder afscheid. Gewoon weg. Heel vroeg, nog voor de zon boven de schutting kwam.
Ik herinner mij die tocht nog goed. Voor mensen was het waarschijnlijk nog geen dertig meter. Voor mij voelde het alsof ik aan een reis naar het einde van de wereld begonnen was.
Eerst de Hosta-vallei. Onder slakken kende iedereen die plek. Een oerwoud van gigantische bladeren waar dauwdruppels hingen als vijvers van glas en waar al meer dan één jonge slak spoorloos verdwenen was nadat hij dacht dat ge van een blad gewoon naar beneden kon springen zonder eerst te kijken waar ge terechtkwam.
Daarna kwam het grindpad. Of, zoals oudere slakken het noemden: de Stenen Rug. Een eindeloze strook scherpe rotsen waar de zon op brandde alsof de aarde zelf u weg wilde hebben. Ge schoof vooruit, verloor weer terrein, kroop opnieuw omhoog en begon onderweg langzaam te begrijpen waarom zoveel slakken hun hele leven dicht bij de mestvaalt bleven.
Tegen dat ik halfweg was begon ik serieus te twijfelen aan mijn eigen grootse plannen. Mijn slijmspoor lag kilometers achter mij — enfin, zo voelde het toch — en moeder had misschien niet overal ongelijk in. Misschien was een rustig leven tussen rond de mestvaalt inderdaad zo slecht nog niet. Maar ja, zoals ik zei, ge kent jonge mannelijke slakken. Eens ge besloten hebt koppig te zijn, kunt ge moeilijk nog terug. Dan had moeder wekenlang telepathisch lopen zuchten van “zie wel dat ik gelijk had.”
Dus kroop ik verder.
En ergens voorbij de lavendelstruiken begon de tuin plots anders aan te voelen. Stilller. Alsof alles rondom mij even de adem inhield. Zelfs de insecten leken verdwenen. Ik wist eerst niet waarom, tot ik langzaam een schaduw over de grond zag schuiven.
Een merel.
Mensen zien daar waarschijnlijk gewoon een vrolijk zwart vogeltje in dat wat door het gras huppelt, maar voor een slak is dat ongeveer hetzelfde als oog in oog staan met een dinosaurier die toevallig honger heeft. Dat beest sprong met kleine rukjes door het gras terwijl zijn kop voortdurend heen en weer schoot, alsof hij exact wist waar ge u verborgen hield. Ik drukte mij zo plat mogelijk tegen de aarde en voelde mijn hart — ja, slakken hebben ook zoiets — bonzen tot in mijn huisje.
En toen sloeg die snavel vlak naast mij in de grond. Ik voelde letterlijk de aarde bewegen. Nog een halve voelspriet dichter en ge had dit verhaal nooit gelezen, maar had ik waarschijnlijk als een soort biologisch bijgerecht boven de tuin uitgesmeerd gezeten.
Hoe lang dat beest daar rondgescharreld heeft weet ik niet meer. Tijd werkt vreemd wanneer ge elk moment kunt sterven. Maar uiteindelijk verdween hij weer tussen de struiken en bleef ik alleen achter, half verlamd van schrik en ineens een stuk minder zeker van mijn heldendom.
Ik kroop daarna veel trager verder. Voorzichtiger ook.
En toen bereikte ik de Schaduwzone van Loki. Zelfs de insecten hielden daar hun kop. Ge voelde dat gewoon. Alsof heel de tuin wist dat ge daar beter geen lawaai maakte. Oude slakken vertelden verhalen over verdwenen neven, over half opgegeten huisjes die weken later nog tussen het gras lagen, en over de grote rosse demon die daar sliep alsof de grond zelf van hem was.
En plots zag ik hem.
Loki.
Hij lag tussen de lavendel alsof hij daar al eeuwen woonde. Eén gigantische hoop pels met ogen die plots open gingen zodra ik bewoog.
Ik verstijfde onmiddellijk.
Heel die enorme kattenkop kwam langzaam dichterbij tot ik zijn adem kon ruiken. Warme vleeslucht. Zijn snorharen bewogen boven mij als takken in de wind en ergens aan zijn bek hing een druppel speeksel die waarschijnlijk groter was dan mijn ouderlijk huis. Op dat moment beseft ge ineens hoe klein ge eigenlijk zijt, en hoe weinig verschil er bestaat tussen een jonge avonturier en een hapje tussendoor.
Ik dacht echt dat het gedaan was. Dat heel mijn grootse expeditie zou eindigen als een slijmerige vlek tussen de tanden van een verveelde kater. Maar Loki bleek gelukkig even wispelturig als alle katten. Nadat hij mij een paar seconden bestudeerd had, gaf hij mij gewoon één achteloos tik met zijn poot.
Ik herinner mij vooral dat ik plots geen grond meer voelde. Alleen lucht. En daarna de landing ergens diep in een pol gras, half uit mijn huisje geschud en zo duizelig dat ik een tijdlang niet meer wist waar boven of onder was. Tegen dat ik terug wat tot mijn positieven kwam, was Loki alweer verdwenen. Waarschijnlijk had hij onderweg iets interessanters gezien. Een vlieg. Een blad. Een denkbeeldige geest. Katten zijn rare wezens.
Pas veel later bereikte ik eindelijk de Trillende Vlakte. Zo noemden oudere slakken het terras van Mr Willy. Een open land van grote warme stenen waar geen schaduw bestond en waar iedere stap van de mens als een aardbeving door de grond trok. Daar geraakte ge niet zomaar. Daar geraakten alleen dwazen, legendes of slakken die onderweg vergeten waren terug bang te worden.
Of beter gezegd: ik bereikte de rand ervan. Verder geraakte ik eerst niet meer. Ik bleef gewoon liggen tussen twee warme tegels, compleet uitgeput van de tocht, terwijl ergens boven mij een stoel zacht kraakte in de ochtendzon.
En toen zag ik hem pas.
Mr Willy.
Niet zoals in de verhalen. Niet als een reus. Eerder als een oud dier dat geleerd had om heel stil te blijven zitten. Naast hem stond die enorme cappuccinomok waar de oudere slakken altijd over vertelden, maar het vreemdste waren eigenlijk niet zijn handen, of zijn grootte, of zelfs dat gigantische terras.
Het was de stilte rondom hem. Alsof hij daar niet zomaar naar de tuin zat te kijken, maar naar iets veel verder weg dat alleen hij nog kon zien.
En terwijl ik daar half kapot tussen die tegels lag, begon ik voor het eerst te denken dat moeder misschien niet alles begreep van wat gevaar eigenlijk betekende.
Ik had onderweg merels overleefd, was bijna geëindigd als kattenspeeltje van Loki en voelde ondertussen zowat ieder steentje afzonderlijk in mijn huisje steken. Heel die heroïsche expeditie waar ik thuis zo groot over gedacht had, begon ineens vooral vermoeiend aan te voelen. Misschien normaal na zo'n expeditie. Dat ge ineens meer begint na te denken over een rustige plek, wat eten en een beetje schaduw.
Maar ja. Ik was nu eenmaal zover geraakt. Terugkeren zonder ooit écht het terras bereikt te hebben zou nog vernederender geweest zijn dan sterven onderweg. Dus kroop ik verder. Heel traag ondertussen. Niet meer als een jonge held op avontuur, eerder als iets dat koppig bleef voortbewegen omdat stoppen nog moeilijker geworden was.
En toen zag Mr Willy mij.
Ik voelde het meteen. Ge voelt dat als slak. Die blik. Die schaduw die ineens net iets te lang blijft hangen. Heel bovenaan, naast die gigantische cappuccinomok, bewoog hij langzaam zijn hoofd een beetje naar beneden. Recht naar mij. En plots besefte ik dat ik daar compleet onbeschermd midden op die enorme tegel lag.
Mijn eerste reflex was vluchten. Dus deed ik wat iedere dappere slak in zo’n situatie doet: ik probeerde mij met absolute paniek ongeveer drie millimeter vooruit te sleuren. Maar zenuwachtige slakken slijmen blijkbaar harder dan normale slakken, want ik plakte ondertussen zowat aan die warme tegel vast alsof iemand mij met secondelijm had vastgezet. Hoe harder ik probeerde vooruit te kruipen, hoe meer ik ter plaatse bleef spartelen als een natte dweil met een huisje.
En ondertussen stond hij recht.
Ge beseft pas hoe groot een mens werkelijk is wanneer hij rechtkomt terwijl ge zelf nog kleiner zijt dan een aardbei. Heel die hemel leek ineens te bewegen. De stoel schoof achteruit met een geluid alsof ergens een bergwand openscheurde en dan kwamen die zware stappen. Traag. Dreunend. Onverbiddelijk dichterbij.
Ik herinner mij dat ik toen volledig in paniek geraakt ben. Niet dat koele, heroïsche soort paniek uit avontuurverhalen. Nee. Echte paniek. Het soort waarbij uw hele leven plots tegelijk door uw kop schiet. Mijn moeder die telepathisch zat te zagen aan de mestvaalt. De eerste keer dat ik zelf een slablad gevonden had. Mijn neef Roger die ooit verdronken was in een plas hondenwater. Die keer dat ik als jonge slak per ongeluk op een halve citroen gekropen was en dacht dat ik aan het oplossen was.
Allemaal tegelijk.
Ik kroop volledig weg in mijn huisje en begon te bidden. Niet eens tot iemand specifiek. Gewoon in het algemeen. Tot de slakkengod. Tot Sint-Slakarius. Tot eender wie nog tijd had voor een jonge idioot die dacht dat hij het terras van Mr Willy moest veroveren.
De stappen stopten vlak naast mij, gevolgd door die enorme schaduw. En daarna voelde ik plots iets wat ik totaal niet verwacht had: mededogen.
Twee gigantische vingers die mij optilden alsof ik iets breekbaars was in plaats van een indringer. Geen knijpen. Geen gooien. Geen geweld. Alleen een soort vreemde zachtheid die eigenlijk nog het meest verontrustend was van al.
Voor ik goed besefte wat er gebeurde hing ik daar al tussen zijn vingers, hoog boven de tegels, terwijl de hele tuin onder mij voorbij schoof. Geen heroïsche overwinning. Geen legendarische eindstrijd. Gewoon een oude mens die een verdwaalde slak ergens anders neerzette.
Tussen de slablaadjes bij buurman.
“Allez jong,” hoorde ik hem zacht brommen. “Hier hebt ge meer kans.”
Meer kans...
Ik weet nog dat ik daar een tijd ben blijven zitten terwijl hij terug naar zijn stoel wandelde. Traag. Voorzichtig bijna. Daarna pakte hij zijn cappuccino weer vast en bleef gewoon naar de tuin kijken zoals daarvoor, alsof er eigenlijk niks gebeurd was. En misschien was dat ook zo. Misschien had heel die gevaarlijke expeditie naar het terras van Mr Willy uiteindelijk vooral in mijn eigen kop bestaan.
Nu ben ik oud. Heel oud voor een slak zelfs. Ik woon tegenwoordig rustig in de tuin van de buurman, waar het gras wat zachter is en de katten ondertussen ook al te lui geworden zijn om nog achter iemand aan te zitten. Soms zit ik daar urenlang gewoon wat aan een blad te knabbelen terwijl de avond valt, en dan denk ik terug aan vroeger. Aan moeder. Aan die mestvaalt. Aan de merel. Aan Loki. Aan die ene gigantische tocht waarvan ik toen dacht dat ze mijn leven ging veranderen. Die dat ook gedaan heeft.
Want regelmatig denk ik nog aan die oude Mr Willy op zijn terras, met zijn cappuccino en zijn stille blik over de tuin.
En misschien had moeder gelijk over het gevaar.
Maar niet noodzakelijk over Mr Willy.
PS
Alle personages en gebeurtenissen in dit werk zijn fictief. Elke gelijkenis met bestaande personen of gebeurtenissen, meer bepaald met de Knollentuin in Almere, berust louter op toeval.