“De mensheid heeft altijd vooruitgang geboekt door grootheidswaanzin, maar zelden door mededogen. En toch danken we ons comfort aan beide.” — Mariana Mazzucato
Ik had er onlangs nog zo’n discussie over, eentje die begint met een oprechte vraag — zeg, waar gáát al dat geld eigenlijk naartoe? — en eindigt zoals dat soort gesprekken altijd eindigt: met een zucht, een half afgekoelde cappuccino en het vage gevoel dat niemand echt gelijk heeft, maar iedereen toch een beetje.
Het ging over de waanzin van onze tijd, over miljarden die zonder blozen naar raketten, oorlogen, prestigeprojecten en ruimtevaart vloeien, terwijl hier beneden mensen met een ziektebriefje in de hand moeten onderhandelen over hun waardigheid, en je soms het gevoel krijgt dat de mens liever op Mars kampeert dan hier op aarde een fatsoenlijke ziekenhuiskamer betaalt. We bouwen torens die de wolken uitdagen, sturen robots naar plekken waar nooit een mens zal staan, en voeren oorlog met technologie die slimmer is dan wijzelf, om daarna dezelfde technologie te gebruiken om de ravage in grafiekjes te gieten.
En dan zit ik daar soms, half bewonderend, half moedeloos, en vraag ik me af of dat allemaal echt nodig is, of al die miljarden niet beter zouden dienen om iets eenvoudigs overeind te houden, iets wat vroeger vanzelfsprekend leek: een dak boven je hoofd, zorg zonder bedelbrief, een leven waarin vooruitgang niet wordt gemeten in lichtjaren of rekenkracht, maar in hoe menselijk we met elkaar omgaan.
Maar ja. Zo simpel is het dus niet.
Want net daar wringt het. Diezelfde grootheidswaanzin waar ik zo makkelijk op mopper, is ook de reden dat ik hier nog zit, met mijn scans, mijn behandelingen en mijn vooruitzicht dat — hoe wankel ook — nog altijd beter is dan dertig jaar geleden.
De computer bijvoorbeeld. Ooit gebouwd om codes te kraken en vijanden te slim af te zijn, en nu onmisbaar om mijn medische dossiers bijeen te houden, beelden te rekenen en beslissingen te ondersteunen die vroeger op buikgevoel gebeurden.
Het internet. Begonnen als militair noodnetwerk, nu het fragiele weefsel dat alles samenhoudt: afspraken, verslagen, beelden, overleg. Zonder dat netwerk zou de moderne kankerzorg sputteren als een oude Fiat zonder olie, en wie mij kent weet: dan geraak je niet ver.
En dan is er die MRI, zo’n machine waar je als patiënt in schuift met het gevoel dat je tegelijk bekeken en bewaard wordt, ontstaan uit de wereld van de kernfysica, maar nu in staat om zonder één snee in je lijf te kijken, laag per laag, alsof nieuwsgierigheid zelf een genezend instrument is geworden.
Robotchirurgie, scans, beeldvorming — ze zijn allemaal kinderen van onderzoek dat ooit andere doelen had, doelen die weinig met zorg en veel met macht te maken hadden, maar uiteindelijk belandden ze bij ons, bij onze longen, onze botten, onze prostaat, en bij die hardnekkige hoop die je niet klein krijgt.
Zelfs ChatGPT, mijn digitale meedenker in moeilijke weken, bestaat alleen dankzij diezelfde kronkelige geschiedenis van oorlog, overmoed en technologische sprongen. Zonder oude radarschermen, zonder ARPANET, zonder dat hele pad van omwegen en misstappen, had ik nu geen plek om mijn gedachten te ordenen wanneer mijn hoofd weer eens te vol zit.
Wat mij misschien nog het meest verbaast, is dat zelfs de ruimte daar een rol in speelt. In gewichtloosheid blijken cellen zich anders te gedragen, leren onderzoekers hoe bot- en spierweefsel herstellen, en wie weet komt de dag dat een menselijk orgaan niet alleen in een labo, maar dankzij inzichten uit een zwevend station boven onze hoofden tot stand komt.
Het zou me dus niet eens verbazen als de volgende grote stap in de kankerbehandeling niet ontstaat in een ziekenhuis in Leuven of Houston, maar in een module die nu geruisloos rond de aarde cirkelt, ver weg van al dat gedoe hier beneden.
En als ik daar zo over nadenk, tussen twee afspraken en een cappuccino door, klinkt het plots minder absurd dat de mens naar Mars wil. Misschien moet hij daarboven nog wat verder zoeken, tot hij onderweg iets vindt dat hier beneden iemand het leven redt.
Het leven heeft soms een rare logica.
De mens kijkt naar de sterren, en onderweg valt er iets bruikbaars naar beneden.
Nou, zo zal het altijd wel gaan zeker.
We mikken op iets groots, iets veel te ver, en onderweg blijft er iets hangen dat een mens overeind houdt.
Niet omdat het de bedoeling was, maar omdat het toevallig zo uitkomt.