Nou hebben wij wat tv-kijken betreft nog altijd een uitstekende taakverdeling: ik krijg de zapmachine, en Mevr willy kiest wat ik met dat ding moet zappen. Een evenwicht dat al vijftig jaar standhoudt en dat alleen wankelt wanneer ik per ongeluk op een knop duw die volgens haar nooit iemand nodig heeft. De Info-knop, bijvoorbeeld. Of de mute. Voor haar is dat alsof je de stekker uit de kerstboom trekt.
In die goeie oude tijd — toen mijn prostaat nog niet in staking was gegaan en ik me nog niet hoefde bezig te houden met PSA-waardes die klinken als de score van een mislukte wielrenner — keken we naar Neighbours. Elke dag. Religieus bijna. Niet omdat het zo’n sterke serie was; die acteurs hadden minder expressie dan een Australische woestijnsteen. Maar ik had iets aan die mensen. Mijn buren, noemde ik ze. De enigen in Wommelgem die nooit klaagden over parkeerdruk, geluidsoverlast of mijn cappuccinogebruik.
Ik had eigenlijk liever naar Kabouter Plop gekeken, veel leuker. Ook een soort soap, maar dan met kortere beentjes en minder kans op overspel. Maar Mevr willy vond dat “te kinderachtig”. .
Enfin, Neighbours dus. Het fijne aan die serie was dat er nooit écht iets gebeurde. Beetje liefdesgedoe, beetje gestommel, iemand die zijn job verloor en vijf afleveringen later weer aangenomen werd omdat niemand anders de papieren wilde sorteren. En als er al eens iemand kanker kreeg — ja hoor, zelfs Ramsay Street bleef niet gespaard — dan werd dat opgelost met één bezoek aan een specialist en een wandeling langs het strand bij zonsondergang. Geen braken. Geen bestralingsschema’s. Geen prednisonkop waarbij je jezelf niet meer herkent in de spiegel.
Dat was zalig. Troostrijk zelfs.
Tot we overstapten op Thuis. En daar, zeg ja, gaat het eraan toe. Iedereen heeft er miserie, zelfs de wandkalender. Je moet maar even met je ogen knipperen of ze zijn weer iemand kwijt die verdween tijdens een ritje naar de bakker. Kinderen duiken op uit vergeten relaties, doden blijken toch in leven — ergens in Thailand, altijd Thailand — en partners beginnen vreemd te gaan nog voor het openingsmuziekje goed en wel begonnen is.
Soms denk ik: dat programma heeft dezelfde logica als mijn medisch dossier, maar dan met betere make-up en iemand die tijd heeft voor dramatische pauzes.
En toch blijf ik kijken.
Niet omdat ik hoop dat ik ooit bij Frank en Simonneke op de koffie mag, al zou ik daar wel in het decor passen — zo’n man die in de wachtkamer zit en zachtjes in zichzelf mompelt over de wachttijden van de oncologie. Maar omdat het helpt. Omdat je op een dag waarop je een PSA binnenkrijgt die nét niet geruststelt maar ook niet hysterisch maakt, even kunt denken: zie je wel, zelfs de fictieve mens sukkelt. En oké, die sukkelt beter geregisseerd, maar kom.
Televisie is maar televisie, dat weet ik ook wel. Maar als het leven soms aanvoelt als een soap zonder reclameblokken, dan mag een mens zich al eens verliezen in een wereld waar kanker altijd netjes wordt ontdekt vóór de reclame, waar niemand sterft aan botpijn, en waar ze blijkbaar chirurgen hebben die permanent beschikbaar zijn — waarschijnlijk via een soort medisch Sinterklaassysteem waar echte ziekenhuizen nog nooit van gehoord hebben.
Dus ja, ik kijk verder.
Ik hoop dat Thilly eindelijk rust vindt.
Ik hoop dat die begrafenisondernemer eens begint aan zijn eigen verdriet.
En ik hoop dat Mevr willy op een dag toegeeft dat Kabouter Plop eigenlijk minstens even realistisch is als eender welk gezin in Thuis.
En heel stilletjes — zonder pathos, zonder violen — hoop ik dat mijn kanker op een ochtend zelf zegt:
“Zeg, we hebben genoeg seizoenen gehad. Laat ons hier geen eindeloze herhaling van maken.”
Tot dan blijf ik zappen. En hopen dat de Info-knop het houdt.