Een paar weken heb ik al uitgelegd wat er lichamelijk aan de hand is. Dat hoef ik niet nog eens over te doen. De kuit doet moeilijk, punt. Wie de medische details wil, kan dat daar rustig nalezen.
Wat mij nu bezig hield, zat niet in de spieren of in de pezen, maar ergens hogerop. In mijn kop dus, waar alles altijd net iets te veel blijft hangen.
Want los van alle uitleg bleef er één gedachte rondcirkelen waar ik niet van af raakte: dat het geen verschil maakt of ik meer kán joggen, of dat ik het niet meer mag. Het resultaat is identiek. Het verdwijnt. Dat stuk van mijn leven valt weg. Alleen voelt het ene veel zwaarder dan het andere.
Niet meer kunnen, omdat de pijn het simpelweg onmogelijk maakt, dat is hard maar helder. Dan is het lichaam de boosdoener. Dan kan ik zeggen: ik heb het geprobeerd. Punt. Dan hoef ik mezelf niets te verwijten.
Niet meer mogen, omdat het verstand zegt dat het verstandiger is om te stoppen, dat de schade groter wordt, dat het risico te groot is — dát vraagt zelfdiscipline. En die voelt hier niet als kracht, maar als verraad. Alsof ik mezelf iets moet afpakken wat nog niet definitief afgenomen is. Alsof ik moet stoppen terwijl er misschien nog een kier openstaat.
Dat schuurt meer dan pijn.
En precies omdat dat bleef schuren, heb ik toch maar eens contact opgenomen met het ziekenhuis, meer bepaald met de afdeling fysische geneeskunde en motorische revalidatie. Een hele mondvol.
Nou, het bleek een knul naar mijn hart. Geen gedoe. Korte uitleg, dan hup richting radiologie, en daarna weer terug naar diezelfde knul, die ondertussen waarschijnlijk al wist hoe laat het was.
Goed, om een lang verhaal kort te maken :
Er is aan de pezen geen zichtbare schade.
De pijnproblemen zijn hoofdzakelijk het gevolg van de combinatie abiraterone en denosumab. Eén plus één is drie, blijkboor ook als het over nevenwerkingen gaat.
En ja, er is wel een stijgende artrose aan de binnenkant van de knieën, waardoor ik na verloop van tijd prachtige O-benen zal ontwikkelen waar een varken probleemloos kan doorwandelen.
Maar, zei hij er meteen bij, zó snel gaat dat allemaal niet. En zei hij, met dat kankerverleden van mij was ik tegen die tijd vermoedelijk toch allang dood. Bijzonder geruststellend vond ik dat, want zo denk ik er eigenlijk zelf ook over.
En met exact diezelfde redenering vond hij dat ik, zolang het lukt, best mag blijven joggen. Eventueel met pijnstillers. Met al die andere rommel die ik als kankerlijer dagelijks te slikken krijg, kon dat er ook nog best bij. Ja hoor, dat zei ie echt.
En met aangepaste steunzolen. De heb ik per kerende besteld bij een bandagist die toevallig (?) recht tegenover het ziekhuis zetelde.
Of dat allemaal honderd procent klopt, weet ik niet. Maar het klinkt wel als muziek in de oren. Zo’n melodie die je al maanden niet meer gehoord hebt en waarvan je meteen denkt: ach zie, mijn leven is toch nog niet helemaal afgelast.
Dus ja, als ik eerlijk ben, weet ik eigenlijk al hoe dit verder zal lopen.
Ik ga wachten tot de pijn een beetje weg is. Al dan niet met een pilletje. Niet weg-weg, dat zou verdacht zijn, maar zo’n pijn waarvan je kan zeggen: nou, dat is eerder een herinnering dan een klacht.
Dan wat minder gewicht in de rugzak. Niks dramatisch hoor, een half kilootje kilo of zo, iets wat je nauwelijks merkt, maar waar je toch met overtuiging over kan zeggen dat je verminderd hebt.
En joggen? Ja, ook dat. Maar dan trager. Een fractie trager.
Kortom: ik ga alles een beetje minder doen, maar wel met het vaste voornemen om mezelf wijs te maken dat dit nu écht voorzichtig is. Dat ik geleerd heb. Dat ik volwassen ben geworden. Dat ik mijn lichaam respecteer.
En als het dan toch weer misloopt, dan kan ik tenminste met rechte rug zeggen dat het niet aan mij lag, maar aan dat lichaam, dat altijd zo moeilijk doet wanneer je eindelijk eens iets goed probeert te doen.
Zo. Dat plan.
Voorzichtig.
Maar niet zó voorzichtig dat het nergens meer op lijkt.
En misschien moet ik desondanks toch stoppen.
Ooit
Maar in elk geval zeker nog niet vandaag.