Beenmerg

Gepubliceerd op 5 januari 2026 om 16:28

Het was de voorbije weken dus echt wel druk geweest
Niet het soort drukte waarbij je achteraf tevreden zegt: “Zo, dát hebben we weer mooi gedaan.”
Meer het soort drukte waarbij alles tegelijk half blijft liggen, en je aan het eind van de dag vooral blij bent dat je nog weet waar je je pantoffels hebt neergezet.

Er waren feesten, blogs. Te veel gedachten. Te weinig tijd. En ergens onderweg heb ik zelfs boel gehad met Olivia.
Ja, die Olivia. Zie vorig blog.
Laat ons zeggen dat er boven wat misverstanden waren over agenda’s, afwezigheden en mijn neiging om lessen te missen zonder voorafgaand verlof aan te vragen. Maar goed, dat is intussen bijgelegd. De vrede is getekend, de engelen hebben hun dossiers weer netjes geordend, en morgen vertel ik daar wel meer over.

Intussen stonden mijn andere projecten op een bijzonder laag pitje.
Kanker voor Dummies, De Prostaatpers, Leuko… ze lagen er een beetje bij zoals een onafgewerkte puzzel op tafel: alle stukken zijn er, maar niemand heeft zin om nog te zoeken naar dat ene hoekje. Niet omdat het niet belangrijk is, maar omdat het hoofd soms gewoon even vol zit.

En toch.
Tussen alle drukte door is er in De Prostaatpers opnieuw iets verschenen dat ik de moeite waard vind. Een artikel dat niet roept, niet moppert, niet grapt, maar gewoon rustig uitlegt. Dit keer is het het beenmerg dat aan het woord komt. Geen heroïek, geen zelfmedelijden, maar een heldere uitleg over wat het doet, wat het draagt, en waarom het bij kankerlijers zo vaak de stille beperkende factor wordt.

Voor wie De Prostaatpers niet heeft — of gewoon geen zin heeft om te bladeren — geef ik het artikel hieronder integraal weer.
Lees het rustig. Het is geen pleidooi, geen aanklacht, geen doemverhaal. Het is vooral een stem van binnenuit die zelden gehoord wordt.

-------------------------------------------------

EEN INTERNE NOTA VAN HET BEENMERG

Over draagkracht, uitputting en het moment waarop het stopt

Ingezonden door: Het Beenmerg
Functioneel orgaan, zonder herstelgarantie
Gepubliceerd in: De Prostaatpers


Geachte redactie,

Ik schrijf zelden. Niet uit schroom, maar omdat mijn werk zich niet leent tot commentaar. Ik functioneer. Of ik functioneer minder. Dat verschil wordt meestal pas opgemerkt wanneer het al een tijd bezig is. Toch lijkt het mij zinvol om één keer uit te leggen wat ik doe, hoe ik werk, en vooral waar mijn grenzen liggen. Zeker voor wie met kanker leeft, want voor hen ben ik geen achtergrondorgaan, maar een voortdurend aangeslagen systeem.

Ik ben het beenmerg.
Ik bevind mij in verschillende botten en ben verantwoordelijk voor de aanmaak van bloedcellen. Rode bloedcellen vervoeren zuurstof naar alle weefsels. Witte bloedcellen maken afweer mogelijk tegen infecties. Bloedplaatjes zorgen voor stolling en vormen een voorwaarde voor herstel na schade. Die productie verloopt continu. Niet in golven, niet op aanvraag, maar onafgebroken. Dagelijks gaat het om miljarden cellen. Zonder mij functioneert geen enkel ander orgaan langdurig.

Maar mijn capaciteit is eindig.
Dat is geen pessimistische inschatting, maar een biologische vaststelling. Wat iemand aan functionerend beenmerg bezit, ligt vast. Beschadigd beenmerg wordt niet vervangen door nieuw, gezond weefsel. Ik kan hoogstens tijdelijk compenseren door productie te verschuiven naar nog intacte zones. Dat is geen herstel, maar herverdeling.

Bij mensen met kanker sta ik permanent onder druk.
De ziekte zelf vormt al een belasting, rechtstreeks wanneer zij zich in het bot nestelt, onrechtstreeks wanneer het lichaam langdurig in een staat van ontregeling verkeert. Tegelijkertijd is vrijwel elke behandeling die bedoeld is om de kanker af te remmen ook een ingreep op mij. Ziekte en behandeling werken niet na elkaar, maar gelijktijdig. Voor kankerlijers is er zelden een fase waarin ik ongestoord kan functioneren.

Chemotherapie grijpt in op celdeling.
En celdeling is mijn kernactiviteit. Bij klassieke chemotherapie kan ik soms gedeeltelijk recupereren, omdat niet alle productiegebieden tegelijk uitvallen. Dan lijkt het alsof ik herstel. In werkelijkheid verschuif ik lasten naar wat nog werkt. Dat effect is tijdelijk, onvolledig en afhankelijk van hoeveel gezonde capaciteit nog beschikbaar is.

Bestraling beschadigt mij daar waar ze passeert.
Of zij gericht is op botten, de prostaatloge of het volledige bekken, het effect op mij is reëel. Die schade is vaak blijvend of herstelt slechts gedeeltelijk. Zolang er elders in het lichaam nog voldoende intact beenmerg aanwezig is, blijven de bloedwaarden binnen aanvaardbare grenzen. Dat wekt de indruk van stabiliteit.

Die stabiliteit berust op reserve.
Reserve is geen eigenschap, maar een voorraad. En voorraden raken op. Dat proces verloopt geleidelijk en zonder duidelijke alarmsignalen. Ik faal niet abrupt. Ik lever steeds minder. Dat uit zich als hardnekkige vermoeidheid, verminderde inspanningstolerantie, trager herstel en verhoogde kwetsbaarheid voor infecties. Het lichaam probeert dat te compenseren door het hart en de ademhaling harder te laten werken. Ook dat mechanisme is eindig.

Het is belangrijk hier een misvatting te benoemen.
Lichamelijke activiteit vergroot of herstelt mijn capaciteit niet. Sport en beweging hebben voordelen voor spieren, cardiovasculair systeem en algemeen welbevinden, maar zij herstellen geen beschadigd beenmerg en verhogen mijn productiecapaciteit niet. Ik reageer niet op training, motivatie of doorzettingsvermogen. Mijn grenzen zijn biologisch vastgelegd.

Wanneer later in het ziekteverloop behandelingen volgen die dieper en diffuser inwerken — zoals radium- of lutetiumtherapie — kan mijn compensatievermogen plots wegvallen. Niet omdat deze behandelingen verkeerd zijn, maar omdat zij terechtkomen op een lichaam dat al jaren functioneert op restcapaciteit. Dan valt er niets meer te spreiden.

Op dat moment verschijnt het woord uitbehandeld.
Dat verwijst niet noodzakelijk naar het ontbreken van therapeutische opties tegen de tumor. Het verwijst naar het ontbreken van voldoende draagkracht om die opties nog veilig toe te passen. Er kunnen nog middelen bestaan, maar geen lichaam meer om ze te dragen. Niet de kanker zet dan de punt. Ik doe dat.

Dat gebeurt zelden plots.
Het is het voorspelbare eindpunt van een langdurig proces van cumulatieve belasting, waarbij ik jarenlang heb gewerkt op compensatie. Dat hele traject wordt vaak samengevat in één technische zin: “Het is niet meer haalbaar.”

Maar wat daarachter schuilgaat, is geen falen.
Het is uitputting.


Slotopmerking

Ik vraag geen medelijden en geen eerherstel. Ik vraag alleen dat men begrijpt dat ik geen onuitputtelijke bron ben. Wie met kanker leeft, leeft niet alleen met een ziekte, maar ook met een lichaam dat voortdurend moet dragen wat ziekte én behandeling samen opleggen. En ik ben daar een stille, maar bepalende factor in.

Getekend,
Het Beenmerg
Eindige reserve
Lang onderschat