Deuteronomium 14.3

Gepubliceerd op 28 februari 2026 om 06:20

Eten is voor mij altijd al belangrijk geweest. Veel en goed. Niet uit gulzigheid, maar omdat het leven met een goed bord eten en een degelijk glas wijn een stuk draaglijker wordt. En nu ik mijzelf toch altijd tot de categorie “kankerlijers die nog redelijk functioneren” mag rekenen, moet ik eerlijk toegeven dat lekker eten en drinken misschien wel mijn grootste, en tegelijk meest tastbare, genoegen is geworden.

Het wildseizoen is al een tijdje voorbij, maar in de vriezer ligt er gelukkig nog wel het een en ander. Een hazenrug, een portie hazenpeper, een halve fazant, en ergens nog een patrijs die daar geduldig ligt te wachten tot hij weer eens op mijn bord belandt. Dat geeft, vreemd genoeg, een zekere geruststelling: want wat er ook verandert in het lichaam, in de onderzoeken, in de gesprekken met dokters, er ligt tenminste nog iets in de vriezer dat gewoon bedoeld is om van te genieten, zonder bijsluiter, zonder prognose.

Al is er op dat vlak de laatste jaren wel iets veranderd. Michel Van den Bossche kijkt mee over mijn schouder, en van die man mag bijna niks, alleen wat veldsla. En mijn dokter vindt ook dat er soorten vlees zijn die ik beter niet eet, wegens de cholesterol. Mevr Willy kijkt trouwens ook met argwaan naar alles wat ooit vier poten heeft gehad. Maar goed, als 72-jarige kankerlijer staat mijn cholesterolgehalte eerlijk gezegd vrij laag op mijn prioriteitenlijst. Er zijn, laat ons zeggen, andere grafieken die tegenwoordig meer aandacht opeisen dan die van mijn vetwaarden.

Vroeger loste ik dat probleem vrij eenvoudig op: met de bijbel. Want als er nu één autoriteit was die mij culinair geruststelde, dan was het wel de God uit het Oude Testament, die vrij genereus had meegedeeld dat de mens, Mr Willy dus, alles mocht eten wat kroop, vloog of zwom.
Genesis 9:3: “Al wat zich roert, dat levend is, zal u tot spijze zijn; Ik heb het u alles gegeven, gelijk het groene kruid.”

Duidelijk toch, en dat moeten ze me dan ook geen twee keer zeggen. Trouwens, waar gaan we naartoe, als je God niet meer mag geloven? Van God mocht alles.

Ik hield het dus bij de bijbel. Het boek der boeken.

Tot ik, tegen beter weten in, eens in Deuteronomium begon te lezen. En daar bleek dat God zich na verloop van tijd toch een beetje had bedacht.
Want wat lees ik:
Deuteronomium 14:3: “Gij zult geen gruwel eten.”
En dan is er ineens sprake van reine en onreine dieren.

Rund, schaap, geit, hert, gazel, antiloop, steenbok, en elk dier dat gespleten hoeven heeft en herkauwt — die waren eetbaar. Dat is al heel wat. Maar toen ik verder las, was ik toch licht ontgoocheld. Want daar stonden ze plots, de beesten die als onrein werden bestempeld: de kameel, de haas, de klipdas en het varken.

Daar gaat mijn hazenrug en mijn hazenpeper. En mijn spek. En mijn ribbetjes. Want van die kameel en die klipdas, dat is niet zo erg. Die heb ik toch nog nergens op een menukaart zien staan. Maar de haas, dat werd ineens een theologisch probleem op mijn bord.

En toen ik ook nog de lijst van verboden vogels overliep, schrok ik toch wel even. Ik herkende diezelfde God niet meer die in het begin zo gul had gezegd dat alles tot spijze mocht dienen. Plots werd er ingedeeld, gesorteerd, gezuiverd. Rein. Onrein. Eetbaar. Niet eetbaar. Alsof zelfs de schepping achteraf nog een soort dieetlijst kreeg opgelegd.

Nu ja, eerlijk is eerlijk: ook ik heb mijn grenzen. Honden, katten, kanaries, aquariumvisjes… daar hoeft niemand mij zelfs geen saus bij te serveren. Mijn keel zou al dichtklappen nog vóór de eerste hap. Dus ergens begrijp ik die menselijke neiging tot indelen wel, al vind ik het woord “onrein” toch wat streng voor een dier dat, laten we eerlijk zijn, gewoon zijn best gedaan heeft om lekker te zijn.

In andere landen eten ze weer dingen waar wij van huiveren, en laten ze net ons eten staan. Iedereen heeft zo zijn eigen lijstjes, zijn eigen logica, en vooral zijn eigen geweten dat zich pas laat horen wanneer het bord al gevuld is.

En zo zit ik daar dan, met mijn bord wild, een goed glas wijn en een lichaam dat ondertussen zijn eigen strijd voert, los van wat er op tafel ligt, soms wat te filosoferen.
Nou, tegen dat het denken echt begint, is de hazenpeper meestal al op, en blijft er vooral een leeg bord over, een stille dankbaarheid dat er nog smaak is.