Diamanten op de Vesten

Gepubliceerd op 5 maart 2026 om 07:24

Pa Willy rookte niet, dronk niet, filosofeerde niet, maar had een aangeboren gave om te doen alsof regels louter decorstukken waren in een toneelstuk voor anderen.
Van het visseizoen trok hij zich niets aan. Niks. Nul. De man keek zelfs niet naar de kalender. Hij pakte gewoon zijn visstok, het oude metalen doosje met wormen en zijn visbak, alles gewikkeld in krantenpapier. Alsof de flikken een stel achterlijke koorknaapjes waren die dachten dat hij onderweg was naar de bibliotheek en niet naar de vesten. Blijkbaar werkte het, want ik heb in heel mijn leven nooit één controle gezien. Niet eens een gerucht ervan.

En regelmatig, vroeg in de ochtend, terwijl heel Wommelgem nog onder de dekens lag, ging hij vissen. Kleine Willy mocht mee, achteraan op de fiets. De vesten lagen daar toen breed en stil, als oude wachters die al lang vergeten waren waarvoor ze eigenlijk dienden. Riet bewoog loom in de wind, en het water had die zachte glans van een spiegel die net wakker wordt. Pa zei dan altijd, een tikje plechtig:
“Ziet ge dat, jongen? Dat zijn diamanten op de vesten.

Ik knikte, nog te jong om te begrijpen dat hij gewoon het zonlicht bedoelde dat op de golfjes sprankelde. Maar voor mij waren het echte diamanten. Het soort magie dat je alleen krijgt als je vijf jaar oud bent en nog niet weet wat een kettingzaag, een bouwvergunning of een ringweg is.

Pa deed het voorbereidende werk: worm uit de aarde, haak erdoor, geen gepruts of halfzacht gedoe. Ik vroeg ooit of dat geen pijn deed voor die worm.
Pa keek niet eens op. “Jongen, een vis moet ook eten.

Daarmee was de kous af.

De dobber ging het water in en we wachtten. Hij geduldig. Ik wiebelend. En dikwijls was ik weg, gaan spelen. Rond die vesten waren toen nog duinen, échte duinen, zoals aan de zee.
Vis zat er toen best veel. Zonnebaars, baars, voorn, zeelt — veelal klein grut dat gewoon terug het water in ging.

Maar soms ving pa Willy een grote baars. Zo’n gespierde, groen-met-zwarte strepen, robijnrode ogen, een vis die voelde alsof hij nog een halve oorlog te vechten had. Zo eentje ging beslist níet terug. Pa was geen romanticus op dat vlak. De groten liet hij kuisen in de lokale viswinkel, waar de uitbater hem al van ver zag aankomen en meteen een plastieken bak klaarzette.

Daarna gingen we naar huis en belandde die baars, met veel gerinkel van pannen en sissende boter, in de koekenpan. Mijn moeder rolde altijd met de ogen, maar at hem uiteindelijk graag op — het vlees stevig en zoet, precies zoals vis hoort te zijn wanneer hij bij pa Willy vandaan komt.

Vandaag raast op die plek een bruisende verkeersstroom: de Ring rond Antwerpen. Vrachtwagens die grommen, auto’s die toeteren, mensen die zich haasten alsof hun leven afhangt van vijf minuten.
Van de vesten blijft niets meer over, behalve een herinnering die soms, wanneer ik er niet om vraag, zachtjes naar boven komt drijven: dat water, die ochtendstilte. Pa met zijn krantenpapier, zijn visstok en zijn rotsvaste overtuiging dat regels voor anderen gemaakt waren.

En vooral herken ik de diamanten die ooit over het water lagen, op een plek waar nu alleen nog verkeer raast.