Toen ik laatst in de wachtzaal van de tandarts zat — Mevr willy lag ergens verderop in een stoel waar ze, naar ik vermoedde, met een hamer en een beitel bezig waren aan een renovatieproject van haar gebit — had ik tijd genoeg om wat rond te kijken.
En dat is gevaarlijk.
Links op een tafeltje stond een beeld van een blauwe Australische kangoeroe met een jong dat uit de buidel piepte. Rechts stond een miniatuur van De Denker van Rodin. Zo’n beeld dat meteen iets met een mens doet.
Ik weet ook niet waarom, maar telkens ik dat zie, ga ik automatisch ook een beetje zo zitten: elleboog op de knie, hand onder de kin, blik in de verte. Alsof er elk moment een briljante gedachte uit mijn hoofd kan rollen.
En dan begin ik na te denken. Heel diep. Over de grote levensvragen. Over kanker ook, maar daar gaat het nu niet over.
Eerder : waar komen we vandaan? Waar gaan we naartoe? En wat zijn we ondertussen eigenlijk allemaal aan het uitspoken?
Veel verder dan die eerste vraag ben ik nog niet geraakt. Maar ergens heb ik altijd gedacht dat wij waarschijnlijk uit het Aards Paradijs komen. De Hof van Eden. Mesopotamië dus, al moet ik zeggen dat de grond daar tegenwoordig niet meer zo geweldig is dat ik er een pretpark zou beginnen, zoals God destijds.
Want dat was het eigenlijk toch wel: een pretpark. Maar dan wel een exclusief exemplaar. Voor twee personen.
Ik stel mij voor dat God daar op het einde van de week, op zaterdagavond of zo, eens op afstand naar keek. Handen op de rug. Een beetje knikkend. Zoals een doe-het-zelver die net een veranda heeft gezet en nu wil zien of alles recht staat.
En hij zag dat het goed was.
De lucht had dat prentkaartenblauw dat je alleen in Italië ziet. Beekjes prevelden zacht hun avondgebed, zoals in een wit nonnenklooster van een zeer contemplatieve orde. In het gras knipperden margrietjes slaperig met hun oogjes, want ze hadden de hele dag naar de zon gekeken en dat waren ze nog niet gewoon.
Alles was er. Alles wat een degelijk pretpark nodig heeft: veel groen, wuivende palmen, hier en daar een papegaai in het lover — nog zonder scheldwoorden in zijn vocabulaire — een weide waar een ree en een leeuw rustig stonden te praten over de liefde, want dieren spraken toen nog. En vogels in de lucht, allemaal met een behoorlijke muzikale opleiding. Mozart op zicht, zonder partituur.
Het was dus eigenlijk perfect.
En dat allemaal voor twee mensen. Adam en Eva. Twee verwende stinkers, als je het mij vraagt. Ze moesten zelfs geen entree betalen. Ze woonden er gewoon.
Nu ja. God keek blijkbaar niet op een euro. Winst maken was waarschijnlijk ook niet zijn eerste bekommernis. Geld zegt hem toch niets. Het is tenslotte maar slijk der aarde, en hij had al duidelijk bewezen dat je met een handvol modder ook iets anders kon maken. Eva bijvoorbeeld.
Toch heb ik daar altijd een kleine bedenking bij gehad: Rentabiliteit.
Ik zou toch iets gevraagd hebben. Al was het maar symbolisch. Want uit ervaring weet ik dat je niet te veel gratis mag weggeven. Mensen krijgen wel graag, maar respect hebben ze er zelden voor. Ze denken dan: ach ja, die heeft toch geld genoeg.
Zo werkt dat.
Ik zeg altijd: als het van de staat is, hebben ze er ook geen respect voor.
En uiteindelijk heb ik gelijk gekregen.
Het is een tijd goed gegaan in dat paradijs. In het begin val je van de ene verrassing in de andere. Maar na een tijdje raakt een mens eraan gewend. Dan komt de verveling. En dan staat daar ineens zo’n appelboom waar je zogezegd met je poten moet afblijven.
Maar dat moet je een mens niet aandoen. Want een mens wil weten of het waar is.
En zo vlogen ze dus buiten.
Recht uit de Hof van Eden. Het grote pretpark van de wereld in.
Ik zat daar nog over na te denken toen de tandartsassistente de deur opende en zei dat Mevr willy klaar was.
Ze keek een beetje scheef uit haar ogen en had een half verdoofde mond, maar verder viel het best mee.
En dan dacht ik zo: het paradijs is misschien verdwenen, maar eerlijk gezegd, met een menselijk lijf dat hier en daar begint te kraken, een paar dokters op de agenda en af en toe een wachtzaal waar je wat kan zitten denken, zitten wij eigenlijk nog altijd in datzelfde pretpark.
Alleen zijn de attracties ondertussen een beetje anders.