Oud en Versleten

Gepubliceerd op 13 maart 2026 om 19:02

Gisteren had ik nog een nogal poëtisch blog geschreven over ouder worden. Zo’n tekst waarin een Mr  Willy een beetje filosofeerde over tijd, over herinneringen, over hoe het leven zich langzaam terugtrekt als de zee bij eb. Heel mooi allemaal. Bijna ontroerend zelfs, al zeg ik het zelf.

Maar vandaag moet ik daar helaas een kleine correctie op aanbrengen.

Ik word namelijk oud.

Niet zo’n beetje oud op papier, in de betekenis van “wijzer” of “rijper”. Nee, echt oud. Dat soort oud waarbij het lichaam plotseling begint te functioneren als een gemeentelijke dienst: alles gaat nog wel, maar traag, met onderbrekingen, en er moet eerst drie keer vergaderd worden voor er iets beweegt.

Het begon met een goed idee.

Op het terras kijk ik namelijk al jarenlang tegen een muur aan. Niet zomaar een muur, nee:  een bakstenen geval dat er uitziet alsof hij een moeilijk leven achter de rug heeft. Links en rechts wat stukken cementbezetting, half afgeslagen, half blijven hangen — een soort archeologisch landschap van kleine herstellingen en grotere mislukkingen.
Het zijn, voor zover ik kan nagaan, overblijfselen van de bouwkundige escapades van Pa Willy, die in zijn tijd een zeer eigenzinnige visie had op metselwerk en cement.

En op een bepaald moment dacht ik: als ik ooit op mijn sterfbed lig — wat statistisch gezien toch eens moet gebeuren — dan wil ik niet dat mijn laatste herinnering bestaat uit die muur.

Dus heb ik een border aangelegd.

Het plan was eigenlijk best elegant. Onderaan een tapijt van vetplantjes dat alles langzaam dichtgroeit, daarboven wat winterharde vaste planten voor kleur, en dan een paar klimplanten die de muur mogen veroveren tot hij uiteindelijk verdwijnt onder groen. Zo’n muur waar je dan ’s zomers met een cappuccino naar kunt kijken en denken: zie je wel, het leven kan nog schoon zijn.

Alleen… voor er iets kan groeien, moet er eerst gegraven worden.

Het uitbreken van de klinkers ging nog. Dat was eigenlijk het gemakkelijkste deel. Maar daaronder lag een dikke laag stabilisé. Keihard. Zo hard dat ik even dacht dat ik per ongeluk op de fundering van een Romeinse heirbaan was gestoten.

Dat spul moest dus met de breekhamer losgeklopt worden.

En daar begint het verschil tussen “een man van vroeger” en “een man van nu”.

Vijf jaar geleden zou dat een dag werk geweest zijn. Eén lange dag zwoegen, zweten, vloeken misschien, en ’s avonds tevreden naar het resultaat kijken met een biertje.

Nu heeft dat dus drie dagen geduurd.

’s Morgens een uurtje werken.
Dan wat rusten — wat in mijn geval betekent: gaan zitten en een blog schrijven over het leven.
En ’s namiddags nog eens twee uurtjes.

Pfff.

Het werk zelf ging nog wel, maar het lichaam heeft er achteraf een vergadering over belegd. Ik zit nu al drie dagen met rugpijn. Rechtstaan uit een stoel gaat ongeveer zoals bij een giraffe die voor het eerst probeert te knielen: met handen, voeten en een hoop voorzichtig gekraak.

Al moet ik eerlijk zijn: eens ik rechtsta, valt het eigenlijk nog best mee. Dan huppel ik nog redelijk rond in de tuin. Niet echt elegant, maar toch. Een beetje zoals die pony’s van Marjolijn: klein, koppig, en met verrassend veel energie zolang niemand vraagt om te galopperen.

Dus ja… ik kan alles niet op die rotkanker blijven steken. Dat zou te gemakkelijk zijn.

Sommige dingen hebben gewoon een veel eenvoudiger oorzaak.

Ik word oud.

Zoals Pa willy vroeger altijd zei — en hij zei dat met de wijsheid van iemand die het zelf al aan het ondervinden was:

Oud worden is leuk. Oud zijn is verschrikkelijk.

Maar goed… als ik straks ooit in mijn bed lig te wachten tot het licht uitgaat, dan hoop ik toch dat mijn laatste blik niet op die bakstenen muur valt met zijn halve cementplekken en historische reparaties van Pa willy… maar op een groene muur vol plantjes die ik, met drie dagen werk en een rug die sindsdien protesteert, toch nog eigenhandig heb aangelegd.