De nachten dat het niet om schrijven gaat
Regelmatig lig ik ’s nachts wakker: van hersenspinsels die zich ergens in mijn hoofd vastzetten en een uitweg zoeken. Zinnen die zich aandienen terwijl het eigenlijk slaaptijd is. Dan lig ik daar wat te draaien, of sta ik zelfs op om iets neer te pennen, en tegen de ochtend is het meestal weer rustig.
Zelden heb ik slapeloze nachten door die kankermallemolen.
Pfff... Die rotziekte draait al jaren mee in mijn leven. Je leert daarmee omgaan. Je leert relativeren. Je leert het wegduwen naar de achtergrond zolang het kan. En doodgaan of de grote aftakeling is nog niet voor onmiddellijk. Dus het kán nog.
Of niet ?
Want de laatste tijd zijn er dus andere nachten.
Nachten waarin het niet om woorden gaat, ook niet om doodgaan. Maar gewoon een simpel iets dat zich niet laat wegduwen.
Iedereen die mijn blogs volgt weet hoe belangrijk lopen voor mij is geweest.
Zolang je kon joggen, kon je jezelf wijsmaken dat het nog meeviel. Dat je lichaam nog werkte. Dat je die rotkanker nog een beetje onder controle had.
Lopen was geen sport voor mij. Het was mijn manier om overeind te blijven. Vooral lange afstanden. Geen hoog tempo, maar blijven doorgaan. Dat gaf rust in mijn hoofd. Dat gaf het gevoel dat je nog iets kon.
Ik ben pas beginnen lopen na mijn pensioen. En vreemd genoeg ging het toen alleen maar beter. Zelfs na de prostaatverwijdering, na chemo, na alles wat erbij kwam kijken, gingen mijn prestaties omhoog. Dat gaf moed. Dat gaf het gevoel dat je niet zomaar aan het verliezen was.
Tot het begon te keren.
Zonder duidelijke reden ging het minder. Eerst wat trager. Dan kortere afstanden. Daarna blessures. Dat kon ik nog begrijpen. Blessures zijn eerlijk. Die hebben een oorzaak.
Maar nu zijn die blessures voorbij. En toch komt het niet meer terug.
Gisteren nog gaan joggen.
Traag. 7 km per uur. Sneller lukt gewoon niet meer. En toch… na vijf kilometer moeten stoppen. Gewoon op. De laatste twee kilometer naar huis gestapt.
En dat doet iets met een mens.
Dus ja… ik heb alternatieven gezocht.
Stelselmatig ben ik beginnen omschakelen naar wandelen. Naar rucken. Rugzak op, tempo wat lager, afstand proberen houden. Op papier is dat een mooie oplossing. Verstandig ook. Veel mensen zouden zeggen dat het precies is wat je moet doen.
Maar pfff… het is niet hetzelfde.
Dat wandelen, dat rucken… het geeft niet dat rustgevend gevoel dat lopen vroeger gaf. Het voelt aan als een noodoplossing. Iets wat je doet omdat het andere niet meer lukt. Niet omdat je het echt wil.
En daar heb ik eigenlijk geen vrede mee.
Dan hoor je mensen zeggen:
“Je bent 72.” Heel wat gezonde zeventigers doen niet eens wat jij nog kan.
“En jij hebt dan nog kanker.”
“Wees blij dat je nog kunt lopen. Of wandelen.”
Allemaal goedbedoeld hoor, maar zo werkt dat niet.
Als je drie jaar geleden nog zonder overdreven moeite dertig kilometer kon lopen, en je moet nu na vijf kilometer stoppen, dan voelt dat niet als iets om blij mee te zijn. Dan voelt dat als verliezen.
Niet omdat je PSA stijgt. Niet omdat er weer scans en bestralingen aankomen. Maar omdat je voelt dat je iets kwijtgeraakt bent waar je jarenlang op gebouwd hebt. Iets wat je het gevoel gaf dat je de ziekte nog aankon.
En het ergste is misschien nog dat het plezier verdwenen is.
Lopen gaf vroeger rust in mijn hoofd. Een zalige leegte. Nu geeft het vooral frustratie. Elke keer opnieuw dat besef: dit lukt niet meer zoals vroeger.
En dat zijn dus de nachten die blijven hangen, de nachten waarin je ligt te draaien en beseft dat je de strijd stilaan aan het verliezen bent.
Iemand zei me vandaag nog:
"Count your blessings."
Gelijk heeft ze.
Maar het is verdomd moeilijk.