Ik moet beginnen bij het allereerste begin.
Toen ik nog maar een eenvoudige bloemkorrel was — een onooglijk wit stipje in een zee van duizenden, nee tienduizenden soortgenoten, samengepakt in een kartonnen baarmoeder die voor ons niet minder was dan een heilige ark, een droge tempel waarin wij tegen elkaar lagen aangedrukt als een uitverkoren volk dat wachtte op zijn openbaring.
Wij fluisterden daar tegen elkaar, diep in het witte halfduister, als profeten zonder diploma.
Niemand wist waarvoor we bestemd waren, maar iedereen wíst dat het iets groots moest zijn. Iets plechtigs. Iets waarvoor mensen recht zouden gaan staan, misschien zelfs zingen, met kaarsjes en applaus en ogen vol bewondering alsof wij niet zomaar stofjes waren maar grondleggers van een feestelijk universum.
Sommigen onder ons beweerden dat wij ooit wolken zouden worden.
Anderen geloofden dat wij zouden eindigen als bergen — luchtige kathedralen waarin lepels eerbiedig zouden verdwijnen.
En ik, ik hoorde bij het kamp der dromers dat ervan overtuigd was dat wij niet zomaar voedsel zouden worden, maar geschiedenis.
Maar wat dat grote doel precies was — dat wist niemand. Het bleef een mysterie dat als een lichte jeuk in onze korrelige ziel zat.
Tot op een dag het kartonnen firmament openscheurde.
En nog voor wij goed beseften wat er gebeurde, werden wij uit onze veilige baarmoeder gekieperd — een sneeuwlawine van witte naïviteit — recht in een kolkende draaikolk waarin vijf gele zonnetjes lagen te dobberen.
Later hoorde ik dat ze eieren heetten.
Maar toen waren het gewoon vreemde planeten die zacht fluisterden: “Welkom in de chaos.”
En dan begon het echte geweld.
Een metalen stormwind — een soort helikopter van lotgevallen — begon ons rond te jagen alsof wij een zwerm opgejaagde spreeuwen waren.
Wij werden geslagen, geklopt, door elkaar gerammeld tot onze korrels hun eigen naam vergaten.
Ik kreeg een hoofdpijn die zelfs nog niet bestond omdat ik toen nog geen hoofd had.
Maar geloof mij: als een stofje kan duizelen, dan duizelde ik.
Het duurde eindeloos. Mijn wereld draaide, mijn bestaan werd vloeibaar, en ik begon te vrezen dat ons mysterieuze lot misschien niet zo zachtzinnig zou zijn als wij ooit hadden gehoopt.
En net toen ik dacht dat het ergste achter de rug was, werd ik in een vurige grot geschoven.
De oven. De grote mond van het vuur.
En daar begon ik te groeien.
Niet een beetje — nee — ik zwol op als een trotse paddenstoel die plots ontdekte dat hij eigenlijk een toren wilde zijn.
Mijn buik duwde tegen de metalen grenzen van mijn wieg, mijn kruimels zetten uit als een volksopstand, en voor ik het wist puilde ik boven mijn vorm uit als een aristocraat die zijn jas niet meer dicht kreeg.
De transformatie van een rups naar een vlinder was niks, vergeleken met dit.
Ik was geen korrel meer. Ik was een wolkenberg. Een luchtige kathedraal van hoop en suikerige ambitie.
En toen ik eindelijk uit de vurige grot werd gehaald en lag af te koelen als een pasgeboren donderwolk, voelde ik mij trots. Groot. Onaantastbaar.
Tot het noodlot opnieuw toesloeg.
Zonder waarschuwing werd ik volledig overlangs geopend.
Een geologische breuklijn recht door mijn wezen. Ik werd gespleten als een bergketen die door een aardbeving werd getroffen.
Oei… dat deed pijn.
Mijn binnenste lag bloot als een opengeklapte spons in een storm, en ik dacht even dat mijn verhaal daar zou eindigen — als een halfvergane heuvel van kruimels en spijt.
Maar toen gebeurde iets onverwachts.
De wonden werden verzorgd.
Niet met pleisters, maar met een lawine van opgeklopte wolken — een sneeuwwitte zalf die zich zacht over mijn open ravijnen legde.
Ik voelde hoe mijn littekens werden gevuld, hoe mijn binnenste opnieuw kracht kreeg, alsof men een ingestorte tunnel weer opbouwde met zachte sneeuw.
En daarna werd ik weer toegedekt.
Zachtjes. Voorzichtig. Alsof iemand een dekentje over een gewond landschap trok.
Maar het lot had nog meer plannen.
Ik kreeg een mantel.
Een dikke jas van room werd over mijn hele lijf uitgesmeerd — een winterjas van wolken — waarna een hagelbui van donkere sterretjes over mij werd uitgestort, kleine chocolade-asteroïden die zich aan mijn lijf vastklampten alsof ze eindelijk een vaste baan hadden gevonden.
Stukje bij beetje werd ik bekleed.
En toen kwam het grote moment: de kroning.
Ik werd versierd met juwelen uit het fruitige heelal.
Meloenbolletjes werden op mij gelegd als parels uit een vergeten oceaan.
Kiwi’s schitterden als groene smaragden.
Mandarijnen lagen erbij als kleine zonnetjes.
Ananasblokjes fonkelden als tropische goudklompjes.
En de druiven — blauw en wit — nestelden zich op mijn schouders als sterren die besloten hadden niet meer te vallen.
Ik voelde het. Ik wíst het. Ik was geen slachtoffer meer. Ik was een koningin.
Een eetbare majesteit met een kroon van fruit en een mantel van room, een monument van suikerige trots dat lag te schitteren alsof het feestlicht speciaal voor mij was aangestoken.
En toen werd ik opgediend.
Gedragen als een trofee. Binnengebracht als een vorstin op audiëntie.
Ik zag de blikken — die grote ogen vol bewondering — en hoorde het zachte gemompel van ontzag dat door de kamer rolde als een warme wind.
"Amai… kijk eens hoe schoon."
"Dat ziet er fantastisch uit."
En toen kwam de oogst. Niet van graan, maar van lof. Niet van akkers, maar van bewondering.
Ik werd geprezen. Bewonderd.
En uiteindelijk — zoals het lot het wil voor elke koningin van deeg en droom — stukje bij beetje verdeeld onder vorken en gelukzalige gezichten.
En ergens, heel diep in mijn kruimelige herinnering aan die kartonnen baarmoeder vol lotgenootjes, wist ik:
dit was het dus.
Hiervoor waren wij gemaakt.
Niet om eeuwig te bestaan, maar om even te schitteren
en daarna met volle eer te verdwijnen — meestal in een mond die al naar een tweede stuk keek.