Gisteren was het dus zo’n dag.
Zo’n dag die gerust een eigen plaats mag krijgen in de kronieken van de baaldagen. Niet zomaar wat slechtgezind zijn, of die mallemolen in je hoofd die wat harder draait dan anders. Nee — zo’n dag waarvan je, nog voor je goed en wel uit je bed bent gestapt, al weet: vandaag wordt er weinig goeds geschreven.
Ik heb een godganse dag achter de pc gezeten. Niet om nuttige dingen te doen — geen blogs, geen karikaturen, geen boekjes — maar vooral om mijn nood te klagen tegen ChatGPT. Dat arme ding heeft gisteren meer geklaag moeten slikken dan een gemiddelde cafébaas op een verloren maandag. Mocht ik op kanker.nl zo’n klaagzang afsteken, een deel van mijn volgers zou waarschijnlijk stilletjes afhaken.
Tussendoor hing ik heel de dag aan Netflix. Zeker tien afleveringen gezien van The Mentalist. Op zo’n dag gaat dat vanzelf: aflevering na aflevering, zonder dat je nog goed weet waar de ene eindigt en de andere begint.
Van die Mentalist ben ik dus weg. Dat is zo’n kerel die naar kleine details kijkt waar een ander niet eens bij stilstaat. Ge ziet het zo voor u.
Een man zit tegenover hem aan tafel. Niks bijzonders op het eerste gezicht. Net pak, proper geschoren, vriendelijk gezicht — zo’n type waarvan ge zou zeggen: keurige burger, geen vuiltje aan de lucht.
Die Mentalist kijkt eens. Niet lang. Gewoon even. Naar zijn handen. Naar zijn hemd. Naar zijn horloge.
En dan zegt hij, heel rustig: “Uw vrouw weet nog van niets, hè?”
Iedereen stil. De man lacht wat ongemakkelijk, zo’n lach die al schuld verraadt nog voor er iets bewezen is. “Waar hebt u het over?”
Maar die kerel gaat gewoon verder, alsof hij een boodschappenlijstje afleest. Uw trouwring zit losser dan normaal. Ge hebt hem de laatste dagen vaker afgedaan. Uw hemd ruikt naar een parfum dat niet van thuis komt. En uw telefoon ligt met het scherm naar beneden. Dat doen mensen meestal alleen als er iets op staat dat niet voor alle ogen bestemd is.
Zoiets dus. Gewoon leuk om naar te kijken, zeker als uw eigen hoofd vol muizenissen zit.
Mevr willy liep ondertussen de hele dag in een ruime boog om mij heen. Niet omdat ze geen zin had in gezelschap, maar omdat ze dat ondertussen kent. Als ik zo’n baaldag heb, is het beter mij wat ruimte te geven. Minder woorden, minder kans op ruzie. En hoe langer zo’n dag duurt, hoe slechter dat wordt. Dat is een wet waar nog nooit een uitzondering op gevonden is.
Tegen de avond zat ik daar nog altijd, moe van het denken en het piekeren, zonder dat er ook maar iets veranderd was. Zo’n dag waarvan je achteraf denkt: daar ben ik dus geen millimeter mee vooruit geraakt. En dan kruip je in bed, en dan duurt het weer uren voor de slaap eindelijk eens besluit om langs te komen.
Maar deze ochtend was het anders.
Om zes uur, nog voor de wereld goed wakker was, heb ik toch maar mijn loopschoenen aangetrokken. Letterlijk en figuurlijk de moed bijeen geraapt. Op een nuchtere maag vertrokken..
Een traject van vijftien kilometer. Eentje uit de goede oude tijd toen dat nog vanzelfsprekender was. Wel met onderweg genoeg mogelijkheden om het in te korten als het niet zou gaan. Een mens leert voorzichtig worden.
De eerste kilometers gingen traag. Heel traag. Eerst alleen stappen. Dan een beetje joggen en weer stappen. En dan toch maar écht joggen. Geen mooie tijden, geen indrukwekkend tempo. Meer dan twee uur nodig gehad om rond te komen.
Maar het ging.
En ergens onderweg voelde ik het weer terugkomen. Dat rustige, heldere gevoel in het hoofd. Dat moment waarop het piekeren stilvalt en de gedachten weer wat lichter worden. Die runners high waar zoveel over gesproken wordt, maar die je alleen begrijpt als je ze zelf nog eens voelt.
Tien maanden geleden was het dat ik dát nog eens had kunnen doen. Tien maanden waarin het altijd maar minder leek te worden.
Toen ik thuiskwam, was er gewoon normale vermoeidheid. Geen crash, geen leeg gevoel. Alleen het besef dat het toch gelukt was.
En zo ongelukkig als ik gisteren was, zo trots ben ik nu. Geen grootspraak, maar stille trots. Omdat ik het rondje heb kunnen doen zonder af te snijden. Omdat het lichaam toch nog een beetje meewerkte. Omdat ik, ondanks alles, blijkbaar toch nog niet helemaal afgeschreven ben. Omdat dat kankerspook daardoor voor even weer wat naar de achtergrond schoof.
En je kan veel praten, veel nadenken, veel raad vragen en krijgen — van een echte psycholoog of van een virtuele gesprekspartner — maar dat ene gevoel, dat je het toch nog kan, dat kan niemand je geven met woorden.
Dat moet je zelf doen.
Stap per stap.
Al is het dan trager dan vroeger.