Tussen Gisteren en Straks

Gepubliceerd op 22 april 2026 om 05:46

Soms betrap ik mezelf erop dat ik meer en meer in herinneringen leef.
Niet dat het nu allemaal gedaan is, zover is het nog niet, maar ge voelt het wel: de tijd schuift op, en snel, en voor ge het weet zit ge vaker achterom te kijken dan vooruit. Ge wordt ouder, dat kunt ge niet ontkennen, en tegelijk ziet ge uw kleinkinderen groeien alsof iemand stiekem aan een versnellingsknop heeft gedraaid.

Wat gisteren nog peuters waren met korte beentjes en een stemmetje dat overal door het huis galmde, zijn vandaag jonge mensen die hun eigen leven beginnen te bouwen. En ergens onderweg, zonder dat ge het goed beseft hebt, zijn die kleine handjes die ooit naar u grepen langzaam losgekomen.

De mooiste herinneringen aan mijn kinderen en kleinkinderen liggen niet bij hun grote momenten, hun diploma’s of hun eerste stappen in de grote wereld, maar veel vroeger, ergens op die zachte kleuterleeftijd waar ze nog klein genoeg zijn om ademloos op te kijken naar Daddy en Noni, alsof wij nog iets voorstellen en de wereld nog niet vol zit met meningen van juffen, vriendjes en allerlei betweters die hen stilaan uitleggen hoe het allemaal hoort.

Dat is de leeftijd waarop ze nog geloven dat Daddy alles weet, dat Noni alles kan oplossen en dat een groot bed nog het warmste plekje op aarde is. De leeftijd ook waarin ze nog niet verpest zijn door schoolregels, groepsdruk en de eerste kleine teleurstellingen die een kind langzaam een beetje harder maken dan het eigenlijk zou mogen worden.

Bij onze Noah herinner ik mij die tijd nog het scherpst.

Dat was zo’n kind dat niet gewoon naast u zat, maar tegen u aan. Altijd een hoofdje dat ergens tegen uw arm rustte, een handje dat uw mouw vasthield alsof het zeker wilde zijn dat ge er nog waart. Dat soort vertrouwen dat ge als volwassene bijna niet meer durft aannemen, omdat ge weet hoe broos het eigenlijk is.

Nou,  kinderen groeien, kleinkinderen groeien, en voor ge het weet kijken ze niet meer omhoog maar recht vooruit, alsof ze ons al ingehaald hebben zonder dat we het goed en wel beseften. 

Onderstaand verhaal heb ik jaren geleden geschreven. Nooit gepubliceerd. Misschien omdat het toen nog te dichtbij was, of misschien omdat sommige herinneringen eerst moeten rijpen, zoals deeg dat rustig moet staan voordat het de oven in kan.

En hoewel die tijd van ademloos opkijken allang voorbij is, blijft de herinnering eraan hardnekkig hangen — warm, een beetje zoet, en tegelijk met dat kleine randje verdriet dat ge pas voelt wanneer ge beseft dat zulke momenten nooit meer terugkomen.
Vandaar dat ik het toch maar publiceer, beter laat dan nooit.

 

Soms gaan wij bij onze Noah babysitten.

Dat begint meestal met een simpel telefoontje ergens in de loop van de week.
Of we vanavond kunnen komen. Of het past. Of we toevallig nog iets anders gepland hebben — wat eigenlijk zelden het geval is, want als het over Noah gaat, schuiven we andere plannen zonder veel nadenken gewoon een stukje opzij.

Dus trekken we onze jas aan, nemen de sleutel die we ooit plechtig hebben gekregen alsof we nu officieel tot het huis behoren, en rijden we naar hem toe.

Wanneer we aanbellen, horen we hem meestal al van ver. Kleine voetjes op de vloer, een stem die door het huis galmt, en dan die deur die opengaat met dat gezicht dat tegelijk verbaasd en opgelucht kijkt, alsof hij even wil controleren of wij het écht zijn.

Dat hoort ook zo, dunkt me. Want het is niet omdat ge soms krengen van ouders hebt — die álles verbieden, alles regelen en alles beter weten — dat ge ook nog ellendige grootouders moet hebben.

Dus gaan wij graag.

Niet alleen omdat het moet, maar vooral hij weet dat er dan altijd wel iets lekkers op tafel komt en dat oma al zooooo oud is dat ze heel veel mensen kent voor wie hij nog een lepeltje moet eten.

Een lepel voor Daddy.
Een lepel voor Noni.
Voor de zusjes, de neefjes en de nichtjes.
Voor de teddybeer.
Voor nog wat echte en onechte tantes.

En voor hij het goed en wel beseft, is het bord leeg.

Bravo dus.

Iedereen applaudisseert overdreven luid en onze Noah kijkt een beetje beschaamd, maar ook trots, alsof hij zojuist iets groots heeft gepresteerd.

Hij lacht dan op zijn eigen manier. Met van die fijne wenkbrauwen die haast kommaatjes lijken, en lichtjes in zijn ogen die voortdurend bewegen. En telkens als hij lacht, staat zijn mond een beetje tussen haakjes, alsof hij zelf ook niet goed weet wat hij met al die vrolijkheid moet aanvangen.

En dan begint hij te vertellen. Honderduit.

Onze Noah heeft een heel eigen tijdsbesef. Alles wat voorbij is, heet bij hem ‘gisteren’, en alles wat nog moet komen heet ‘straks’.

“Gisteren was ik nog héél klein, hé Daddy…, toen ik nog een baby’tje was?”

Hij zegt dat met een ernst alsof hij een groot geheim onthult, en ge moet dan moeite doen om niet te lachen, want voor hem is dat geen grap. Dat is waarheid.

En voor ‘straks’ heeft hij al plannen genoeg.

Hij wil groot worden. Heel groot. Misschien zelfs groter dan Daddy. En hij heeft al bedacht wat hij later allemaal zal doen, alsof het leven een soort speelgoeddoos is waar ge gewoon uit kiest wat ge nodig hebt.

Tussen ‘gisteren’ en ‘straks’ ligt ’s avonds de nacht. De lange nacht van onze Noah.

De nacht is er om te dromen. Want ook al is hij nog klein, toch heeft hij al van die kleine droompjes die soms zacht zijn en soms een beetje eng. Monstertjes die opduiken waar ge ze niet verwacht. Dingen die hij overdag nooit zou verzinnen.

‘Gisteren’ had hij er nog eentje gehad, vertelde hij. Over dinosaurussen die elkaar hadden opgegeten. Helemaal opgegeten. En ze hadden allebei veel pijn gehad.

Maar toen het dan ’s morgens ‘straks’ werd, waren ze weg.

“Natuurlijk,” zeg ik dan, “want als je elkaar helemaal hebt opgegeten, dan zijn de bordjes leeg.”

Onze Noah lacht dan, omdat Daddy weer eens zo dom doet en nog altijd niet lijkt te begrijpen wat een droom eigenlijk is.

“Dromen is als je van alles ziet en hoort en voelt,” legt hij uit, heel ernstig, “het is helemaal echt, maar allemaal weg als je wakker wordt!”

Ik knik dan maar, alsof ik het begrijp.

En als hij even later bij de televisie in slaap valt, zo half tegen mij aan, met dat warme gewicht van een klein lijfje dat zich zonder nadenken laat vallen, dan draag ik hem voorzichtig naar boven.

Naar zijn eigen bed.

Ik trek het dekentje wat hoger, leg zijn knuffel naast hem en blijf nog even staan kijken naar dat slapende gezicht, in dat stille huis dat plots veel groter lijkt wanneer een kind slaapt.

Tussen ‘gisteren’ en ‘straks’.

En terwijl ik daar nog even blijf staan, besef ik telkens opnieuw dat zulke momenten sneller verdwijnen dan ge denkt. Veel sneller

Maar dat de herinnering eraan — gelukkig — blijft.