Zevenbergen

Gepubliceerd op 23 april 2026 om 06:07

Lang vóór er wandelaars door het Zevenbergenbos trokken met degelijke schoenen en een flesje water in de rugzak, lang voor ik er ging joggen,  stond daar een burcht. Niet zomaar een huis, maar een versterkte woonplaats, opgetrokken in een tijd waarin muren dik moesten zijn en ramen klein, omdat ge nooit wist wie er morgen aan uw poort zou staan.

Men zegt dat het ergens in de dertiende eeuw begonnen is, toen een adellijke familie — Van Zevenberghen — daar haar stenen bijeenbracht en haar macht in kalk en baksteen liet vereeuwigen.

Eeuwen gingen voorbij. Heer na heer kwam en ging.
Het kasteel kende dagen van voorspoed en tijden van ellende. In de zestiende eeuw trokken plunderende troepen door het land en werd het kasteel in brand gestoken, zoals zoveel stenen getuigen uit die tijd. Maar telkens weer werd het heropgebouwd. Steen op steen. Alsof men weigerde toe te geven dat zelfs muren sterfelijk zijn.

Het bleef staan. Eeuw na eeuw. Tot 1914 kwam.

Toen kroop de oorlog langzaam dichterbij, zoals een onweerswolk die ge eerst alleen in de verte hoort rommelen. De Duitse troepen rukten op, dorp na dorp, veld na veld, en daar stond dat oude kasteel plots niet langer als een symbool van trots, maar als een risico.

Goed gelegen. Strategisch. Een ideale uitkijkpost voor wie het in handen kreeg.

En dus gebeurde het ondenkbare. Men liet het vernietigen — liever eigen stenen verliezen dan ze in vijandelijke handen zien vallen. Het oude kasteel van Zevenbergen, dat eeuwen had doorstaan, werd een rokende puinhoop. En alsof dat nog niet wrang genoeg was: het heeft uiteindelijk weinig geholpen. De oorlog rolde toch verder over het land, alsof al dat puin slechts een kleine hindernis was in een veel groter verhaal.

Later bouwde men opnieuw. Natuurlijk bouwde men opnieuw. Dat doen mensen altijd — ze stapelen stenen zoals ze hoop stapelen. Maar het oude kasteel, dat eerste, dat trotse, dat was voorgoed verdwenen.

En daar — precies daar — zijn wij dus gaan wandelen.

Niet uit historische belangstelling, want eigenlijk hadden we een twee- of driedaagse trip voorzie, de lente kriebelt.
Maar omdat een of andere onverlaat eergisteren had beslist dat ons campertje blijkbaar te mooi recht geparkeerd stond.

Pats: Linkeroor eraf. Gewoon weg. Foetsie. Kapot tot op het bot, als ge begrijpt wat ik bedoel.

En zonder zijspiegel rijden, dat is geen avontuur meer. Dat is gokken. En gokken doe ik liever met een paar fiches in een casino dan met vrachtwagens die groter zijn dan ons hele huis.
Dus maakten we een kleiner plan: lokale wandeling.
Zo eentje die gewoon aan de voordeur vertrekt. Schoenen aan, deur open, en gaan. Door Ranst, richting Zevenbergenbos en Millegem. Tien à vijftien kilometer — vroeger een blokje om, tegenwoordig al een behoorlijke onderneming.

En eerlijk gezegd: Millegem, een boogscheut van huis, daar waren we nog nooit geweest.

Het Zevenbergenbos wél. Vroeger dus één van mijn favoriete plekken toen ik nog ging joggen. Lange rechte dreven, bomen netjes op een rij, alsof iemand daar ooit met een meetlint en een koppige natuur aan het werk is geweest.

Zo’n dreven waar ge vanzelf wat stiller wordt. Misschien omdat ge ergens weet wat daar ooit gestaan heeft.

En alsof dat bos nog niet genoeg verhalen in zich draagt, passeerden we daar ook nog een Lourdesgrot.

Zo’n plek waar ge vanzelf wat zachter gaat praten, zelfs al gelooft ge niet echt in mirakels. Mevr Willy had nog wat kleingeld mee — blijkbaar al op voorhand in haar jas gestopt — en ja… daar werd dus een kaars gebrand.

Voor mij. Want vrijdag heb ik een PSMA-scan.

Zo’n moment waar ge niet vrolijk van wordt. Ge weet eigenlijk al op voorhand dat er wel ergens nieuwe uitzaaiingen zullen opgedoken zijn — dat hoort ondertussen bijna bij het vaste programma — maar de hoop is dat het er niet té veel zijn. Dat ze er nog een paar kunnen wegfrituren met bestralingen, en dat we nog even gespaard blijven van chemo of andere ellende waar ge liever nog niet aan begint.

Best spannend dus, zo onderhuids.

En daar stonden we dan.
In een bos waar meer dan een eeuw geleden mannen hun kasteel verloren om erger te voorkomen… terwijl Mevr Willy een kaars aanstak tegen iets wat ge niet kunt zien en niet kunt tegenhouden, maar waar ge toch altijd weer een beetje hoop op plakt.

Dat zijn van die momenten waar ge even stil van wordt.

Uiteindelijk werd onze meerdaagse trip dus een wandeling van een dikke tien kilometer, vlak bij huis. Geen verre horizonten, geen camper, geen nachten op onbekende plekken — maar wel een tocht met een afgereden linkeroor, een oud oorlogsverhaal en een brandende kaars ergens in een bos.

Nou… achteraf bekeken was het nog niet eens zo’n slechte dag.

Alleen hoop ik dat die kaars daar een beetje stevig blijft branden.

Ge weet maar nooit. Alle beetjes helpen

----------
PS. Die man die m'n spiegel eraf gereden heeft is wel braaf komen aanbellen en aangifte doen hoor. Dus zo slecht was die knul  niet.