Van alle kledingstukken die een man in zijn leven draagt, is er niets zo verraderlijk als een hemd.
Broeken zijn eenvoudig: je stapt erin, trekt ze op en je bent klaar. T-shirts vragen niets meer dan een korte duik langs boven. Zelfs kousen – hoewel ze soms koppig binnenstebuiten blijven zitten – stribbelen pas tegen aan het eind van hun carrière, wanneer de elastiek de strijd opgeeft.
Maar een hemd… een hemd is geen kledingstuk. Een hemd is een karaktertest. Een psychologische proef. Een subtiel wapen dat ooit door een geniepige kleermaker is uitgevonden om de mannelijke waardigheid langzaam maar zeker uit te hollen.
Vrouwen hebben het op dat gebied een stuk makkelijker. Die kopen een boekje Een gouden raad van Tante Kaat en hun problemen zijn opgelost. Wanneer komt er eens iets voor mannen? Een stille wenk van Ome Henk, Een fijne truuk van Nonkel Luuk. Een brochure misschien: Hoe overleef ik een hemd zonder morele schade. Want geloof mij vrij: ik strijd dagelijks tegen mijn hemd, en het hemd wint vaker dan mij lief is.
Het is begonnen toen Mevrouw Willy besloot dat mijn oude hemden niet meer assorteerden met mijn sokken. En wat er sindsdien in mijn kast hangt, lijkt niet zozeer op hemdengoed maar op didactisch materiaal uit een cursus toegepaste wiskunde.
Want waar ze tegenwoordig manshemden maken – Taiwan, Zuid-Korea of ergens diep in Papoea Nieuw-Guinea – daar hebben ze blijkbaar besloten dat mannen vooral nood hebben aan knopen. Veel knopen. Zo veel knopen dat je spontaan het gevoel krijgt dat je niet zozeer een hemd aantrekt, maar een tent probeert op te zetten bij windkracht zes.
Neem nu de mouwen. Vroeger zat daar één knoop. Dat was overzichtelijk. Eén knoop, één knoopsgat. Dat was democratie. Tegenwoordig zitten er drie knopen aan elke mouw, drie knopen voor twee knoopsgaten. Dat is geen democratie meer, dat is politiek. Ge moet kiezen, gokken, onderhandelen met uzelf en hopen dat ge het juiste kamp kiest. Pffff..... met vingers die al genoeg hebben meegemaakt, is dat geen spelletje meer.
Maar het echte drama speelt zich af langs de lange rij knopen vooraan. Dat is geen rij meer, dat is een mijnenveld.
Ik begin bovenaan, met de moed van iemand die nog gelooft in orde en logica. Knoop na knoop werk ik mij naar beneden, netjes, geconcentreerd, alsof ik een delicate operatie uitvoer. Alles lijkt goed te gaan. De wereld lijkt in balans.
Tot ik onderaan kom. En daar hangt hij dan.
Eén knoop. Altijd één.
Nooit twee, nooit nul. Altijd die ene, koppige overlevende, alsof hij speciaal door het hemd is aangesteld als laatste verdedigingslinie tegen mijn zelfvertrouwen.
Op dat moment begin ik te vermoeden dat hemden niet zomaar kledingstukken zijn, maar kleine intelligente organismen die ’s nachts, wanneer wij slapen, hun knopen herschikken. Gewoon om te zien hoe ver ze kunnen gaan voor wij volledig instorten.
Dan begint het ritueel opnieuw. Losmaken. Terug omhoog. Nog eens proberen. Soms zelfs een derde keer, wat op mijn leeftijd beschouwd mag worden als een vorm van topsport. Tegen de tijd dat het hemd eindelijk recht hangt, voel ik mij alsof ik een expeditie heb overleefd. Niet naar de Noordpool, maar naar het onderste knoopsgat.
En dan, juist wanneer ge denkt dat ge er zijt, ontdekt ge iets nieuws. In de punten van de boord blijken nog twee piepkleine knoopsgaten te zitten. Zo klein dat ge ze in eerste instantie houdt voor een fabricagefout of voor een soort ventilatiegaatjes voor warme dagen.
Na veel zoeken — en een paar keer het hemd bijna weggooien uit pure frustratie — ontdekt ge dan dat er ter hoogte van uw sleutelbeenderen ook nog twee knopjes verstopt zitten. Piepklein. Onnozel klein. Zo klein dat ge begint te vermoeden dat ze ontworpen zijn voor mensen met vingers als breinaalden of voor chirurgen met een vaste hand.
Alleen… die knopjes in die gaatjes krijgen, dat is een onderneming van een heel andere orde. Dat is geen aankleden meer, dat is microchirurgie. Ge zit daar te mikken, te prutsen, te voelen met de top van uw vingers alsof ge een rijstkorrel probeert vast te pakken met winterhandschoenen aan. En tegen dat ge denkt dat ge er eindelijk één te pakken hebt, schiet dat verdomde knopje weer los alsof het een eigen wil heeft.
Op dat moment overweeg ik soms om gewoon een coltrui te dragen tot aan mijn dood.
Van ellende rol ik mijn mouwen dan maar op, al mag dat niet van mevr Willy want als ik dan een jas aantrek, lijkt het alsof mijn schoudervullingen gezakt zijn. Maar eerlijk gezegd: tegen dat ik die boordknoopjes moet aanpakken, overweeg ik soms om gewoon in een badjas naar buiten te gaan en te doen alsof dat een nieuwe modetrend is.
Gerard Bodifée houdt nog altijd vol dat de mensheid erop vooruitgaat. Ik geloof het tegenovergestelde. Toen ik onlangs las dat er een geleerde beweerde dat de mens niet van de aap afstamt, maar de aap van de mens, heb ik instemmend geknikt.
Want een aap heeft tenminste het fatsoen om geen hemden te dragen.
Reactie plaatsen
Reacties