Ik wist het eigenlijk al vóór ik goed en wel de straat in liep.
Nog vóór mijn ogen zich hadden aangepast aan dat vreemde blauwgrijze licht tussen nacht en ochtend. Dat moment waarin de wereld nog niet helemaal beslist heeft of ze wakker wil worden of liever nog even blijft liggen.
Er hing iets in de lucht dat ik niet meteen kon benoemen, maar dat mijn lichaam al wél had opgemerkt, een lichte spanning ergens achter mijn ribben, alsof mijn hart een fractie sneller sloeg zonder dat ik daar zelf toestemming voor had gegeven. De straat lag er stil bij, té stil zelfs, en toch had ik het gevoel dat er hier kort geleden nog beweging was geweest, alsof de stilte nog maar net was neergedaald en zich nog niet goed had kunnen zetten.
En toen zag ik ze.
Auto’s, overal auto’s, meer dan ik hier ooit had gezien, dicht opeen geparkeerd alsof ze in de loop van de nacht haastig waren neergezet door mensen die niet wilden blijven wachten, grote donkere wagens die ik niet herkende, sommige half op de stoep, andere scheef in de goot, en allemaal zonder licht, zonder geluid, maar met een aanwezigheid die niet klopte, alsof ze hier niet thuishoorden en dat zelf ook wisten.
Mijn blik gleed automatisch naar voren, naar de plek waar mijn campertje altijd stond, zoals een mens onbewust naar iets vertrouwds kijkt om zichzelf gerust te stellen, om te bevestigen dat de wereld nog hetzelfde is als gisteren.
Maar nog vóór ik het goed zag, voelde ik het al.
Die plek was leeg.
Niet zomaar leeg, maar op een manier die te duidelijk was, alsof er iets uit de straat was weggenomen dat daar al jaren hoorde, alsof de ruimte zelf zich had uitgerekt rond een afwezigheid die te groot was voor wat het maar was.
Ik bleef staan, een paar passen verderop, en keek naar dat lege stuk asfalt alsof ik het kon dwingen om zich te herstellen, alsof het beeld zich vanzelf zou corrigeren wanneer ik maar lang genoeg bleef kijken. Maar hoe langer ik bleef staren, hoe onwerkelijker het werd, want dat stukje straat leek groter dan anders, dieper bijna, alsof er onder het asfalt een leegte zat die elk moment zichtbaar kon worden.
Mijn handen gingen naar mijn zakken, eerst snel en onbewust, daarna trager en met meer nadruk, alsof ik door zorgvuldig te zoeken alsnog een fout in de werkelijkheid kon ontdekken, alsof de sleutels ergens verstopt zaten in een plooi die ik eerder over het hoofd had gezien.
Maar er was niets. Alleen stof. Een muntstuk. Een papiertje dat ritselde tussen mijn vingers.
Geen sleutels.
En precies op dat moment, nog vóór ik het woord zelf durfde uitspreken, wist ik het al, met dat koude, doffe besef dat niet als paniek komt maar als een soort gewicht dat langzaam naar beneden zakt en zich vastzet in uw buik.
Gestolen.
Niet eens het voertuig op zich, maar alles wat eraan vast hing, dat kleine gevoel van vrijheid dat erin zat opgesloten, het idee dat ge altijd nog kon vertrekken wanneer ge dat wilde, dat ge zelf kon beslissen waar ge naartoe ging en wanneer ge weer terugkwam.
Ik keek opnieuw rond, en pas toen merkte ik hoe onnatuurlijk de straat geworden was, hoe de auto’s niet zomaar dicht op elkaar stonden maar als het ware een kring vormden rond de plek waar mijn campertje had gestaan, alsof ze het hadden ingesloten, alsof ze samen een muur hadden gevormd waarachter iets was gebeurd dat ik niet had mogen zien.
Er ging een rilling langs mijn rug, niet fel maar traag, alsof iemand met koude vingers langs mijn wervelkolom streek, en plots werd de stilte zo diep dat ik mijn eigen adem begon te horen, kort en onregelmatig, alsof de lucht dikker was geworden en zich moeilijk liet inademen.
En net toen ik dacht dat het niet vreemder kon worden, hoorde ik het.
Heel zacht: een metalen klik.
Niet vlakbij, maar ergens verderop in de straat, net buiten mijn zicht, alsof iemand een portier langzaam dichttrok, met de voorzichtigheid van iemand die niet wil dat er nog iemand wakker wordt.
En in dat ene korte geluid zat iets dat erger was dan lawaai. Het gevoel dat ik te laat was. Dat iemand net vertrokken was — met iets dat van mij was.
En toen werd ik wakker.
Of beter gezegd: mijn ogen gingen open, maar mijn hoofd zat nog midden in die straat. Mijn hart klopte sneller dan nodig was en dat gevoel — dat verlies — bleef nog een tijd rondhangen alsof het echt gebeurd was.
En het ergste van al: dat ik daarna niet meer durfde slapen, bang dat ik gewoon weer terug diezelfde straat in zou stappen en opnieuw moest zoeken naar iets wat er niet meer was.
Dus heb ik het maar eens gevraagd aan ChatGPT.
Gewoon, uit nieuwsgierigheid. Het antwoord was eigenlijk verrassend eenvoudig.
Dat zulke dromen niet zo uitzonderlijk zijn. Dat dromen over een gestolen auto, verloren sleutels of niet meer weten waar ge iets hebt achtergelaten, typisch horen bij wat psychologen “verlies-van-controle-dromen” noemen.
Niet noodzakelijk controle over een auto zelf, maar over het leven in bredere zin. Angst om afhankelijk te worden. Onzekerheid over hoeveel controle ge nog hebt over uw eigen leven.
En dat zulke dromen vaker voorkomen bij mensen die onder druk staan. Bij mensen die leven met onzekerheid. Bij mensen bij wie het hoofd overdag al genoeg te verwerken krijgt.
Bij kankerlijers dus.
Die rondlopen met behandelingen die je lichaam en je hoofd veranderen. Dat hoofd dat dikwijls aanvoelt als een oude motor die hapert. De wetenschap dat ge langzaam de controle over je leven moet afgeven, willen of niet.
Pfff... Zelfs 's nachts in je dromen laat het je niet los.
Is dat zo? Ik weet het niet.
Wat ik wel weet, is dat ik vanochtend — nog wat slaperig, nog met dat restje onrust ergens diep vanbinnen — meteen naar buiten ben gaan kijken.
En daar stond hij.
Mijn campertje.
Braaf op zijn plaats, alsof hij nooit van plan was geweest om ergens naartoe te verdwijnen.
Maar toch…
Het vreemde is dat ik dat soort dromen de laatste tijd heel regelmatig heb. Té regelmatig naar mijn zin. Altijd variaties op hetzelfde thema: iets kwijt, iets zoeken, iets dat plots verdwenen is zonder dat ge begrijpt hoe het kan.
Misschien is het gewoon mijn hoofd dat opruimt wat overdag blijft liggen.
Of misschien zit er toch meer achter.
Iets waar ge liever niet te lang bij stilstaat.
Maar dat zich ’s nachts, wanneer alles stil wordt, blijkbaar toch weer komt melden.