De Wachter van het Zand

Gepubliceerd op 10 mei 2026 om 05:29

Men zegt dat er in de Lommelse Sahara ooit een man rondzwierf die het zand bewaakte.

Geen ridder, geen soldaat, maar een stille werker, eentje van het soort dat ge vandaag niet meer ziet — met een schop over de schouder en een pet diep over de ogen getrokken, om het zand uit zijn gezicht te houden.

Want zand, dat was hier vroeger geen curiositeit voor wandelaars met stevige schoenen en een flesje water.
Zand was een vijand.

Lang geleden — zo gaat het verhaal — was deze streek nog bos en heide. Tot de mensen begonnen te kappen. Eerst een beetje, daarna meer. Hout was nodig, heide werd afgeplagd, schapen vraten wat er nog overeind stond. En toen het land eenmaal kaal was, kreeg de wind vrij spel.

En de wind… die kent geen medelijden.

Hij nam het zand op en begon het te verplaatsen. Niet met geweld, maar koppig, dag na dag. Het kroop over akkers, slikte paden in, en begroef stukken land alsof het ze wilde laten verdwijnen.

Men moet daar toen gestaan hebben, kijkend naar dat langzaam oprukkende zand, met dat ongemakkelijke gevoel dat men iets had losgelaten wat men niet meer in de hand had.

En ergens in die tijd — zo vertelt men — werd er een man op uitgestuurd om het zand tegen te houden.

Geen groot plan, geen indrukwekkende machines.
Alleen een schop en jonge dennen.

Rij na rij plantte hij boompjes. Kleine dingen nog, nauwelijks groter dan een wandelstok, maar met wortels die zich vastbeten in het zand alsof hun leven ervan afhing — wat eigenlijk ook zo was.

Dag na dag ging hij verder. Jaar na jaar.

En telkens wanneer een storm weer een stuk van zijn werk wegblies, begon hij opnieuw. Met zand in zijn oren, zand tussen zijn tanden, en waarschijnlijk zelfs zand in zijn boterhammen — wat, laat ons eerlijk zijn, zowat het ergste is dat een mens kan overkomen.

Ze noemden hem — zo wil het verhaal — Jan de Wachter.

Of hij echt zo heette, dat weet niemand nog. Misschien was het niet eens één man, maar vele. Mannen die kwamen en gingen, die hun werk deden en daarna weer verdwenen uit de herinnering, terwijl hun boompjes bleven staan.

Maar in de verhalen werd het één figuur.
Eén man tegen het zand.

En op een dag — zo gaat het verder — verdween hij.

Niet met veel drama. Niet met trompetten of groot vertoon.
Hij kwam gewoon niet meer opdagen, alsof het zand hem uiteindelijk toch had opgeslokt.

Sindsdien, zo fluisteren sommigen, zou hij nog altijd rondzwerven tussen de duinen. Niet zichtbaar voor iedereen, maar soms, bij mist of vallende avond, als een schim op een duinrand — stil, waakzaam, alsof hij nog altijd controleert of het zand zich gedeisd houdt.

Of dat waar is?
Dat weet niemand.

Maar aandachtige lezers zullen intussen waarschijnlijk al wel begrepen hebben dat wij daar gisteren dus zelf zijn gaan wandelen. Mevr willy en ik. Gewapend met stevige schoenen, een fles water, een paar pijnlijke gewrichten en het optimisme van twee mensen die op voorhand al weten dat ze ’s avonds gaan kreunen bij het rechtstaan uit de zetel.

En ergens onderweg, half verscholen tussen het zand en de dennennaalden, zagen we het staan: een piepklein dennenboompje. Echt nog een ukje. Zo’n fragiel groen sprietje waarvan ge spontaan denkt: allé manneke, gij hebt hier ook niet bepaald voor de gemakkelijkste grond gekozen.

En dan moest ik ineens weer aan Jan denken.

Want wie weet… misschien had híj dat boompje ooit geplant. Of iemand zoals hij. Zo’n stille mens die nooit een standbeeld krijgt, maar wel bossen nalaat.

Dus hebben we het meegenomen.

Ja ja, ik weet het. Waarschijnlijk moogt ge officieel geen boompjes ontvoeren uit natuurgebieden. Binnenkort hangt er misschien ergens een opsporingsbericht:
“GEZOCHT: ouder koppel met verdachte blik en illegale den.”

Maar kom. Dat kleine ding krijgt nu een plaatsje in onze tuin. Een stukje van dat verhaal dat we mee naar huis namen. Want dat is juist het mooie ervan. Zo'n verhaal geeft je meer dan een wandeling. Ze geeft je iets om mee te dragen.

Geen Jan gezien dus. Geen schim op een duinrand. Geen mysterieuze wachter met een schop.

Alleen zand. Heel veel zand.
En dennen — duizenden dennen — die daar nog altijd staan alsof ze samen een oude belofte bewaken.

Maar eerlijk? Het was toch een mooie dag geweest. Zo'n zeldzame dag dat ge niet aan die rotkanker denkt.

Zo’n dag waarop ge thuiskomt met vermoeide benen, zand in uw schoenen en het gevoel dat ge ergens geweest zijt waar het landschap nog altijd verhalen fluistert.

En misschien — wie weet — heeft Jan ons wel zien passeren.

Van ergens achter een duin.

Misschien knikte hij zelfs even goedkeurend toen hij zag dat er opnieuw een klein boompje onderweg was naar een nieuwe plek om wortel te schieten.