Er was een tijd dat een schoolfeest nog iets was waar een mens maanden naartoe leefde. Een gebeurtenis. Bijna gelijk een klein Eurovisiesongfestival, maar dan met kartonnen decors en kinderen die hun tekst vergaten.
Ik herinner mij nog een schoolfeest van… pfff… bijna 65 jaar geleden, dacht ik zo. Het toneelstuk dat wij brachten heette “Moeder”. Alleen die titel al. Ge voelde het melige gevaar al van kilometers ver aankomen.
En melig was het ook.
Een moeder die zich opofferde voor haar kinderen, vermoed ik. Of een zoon die ondankbaar was tot moeder uiteindelijk stervend in een bed lag met een witte doek rond haar hoofd. Zoiets. Het exacte verhaal ben ik kwijt. Maar wat ik nooit vergeten ben, is de reactie van die zaal.
Dat was toen nog niet in een openluchtpodium met flikkerlichten en rookmachines alsof Rammstein elk moment kon opkomen. Nee nee. Dat was in een echte zaal. Met zware gordijnen, houten klapstoeltjes en een geur van stof, koffie en natte winterjassen.
En tegen het einde zat de héle zaal te snotteren.
Tissues waren toen nog niet “in”. Dat bestond precies nog niet in Vlaanderen. De vrouwen haalden kleine katoenen zakdoekjes boven uit hun handtas, van die perfect opgevouwen exemplaren met bloemetjes of kanten randjes eraan.
Maar het schoonste beeld waren de mannen. Zelfs die hielden het niet droog.
Ik zie ze nog altijd zitten: stoere vaders en nonkels die ondertussen al drie pinten op hadden, maar daar toch heimelijk hun neus zaten te snuiten in van die gigantische geruite zakdoeken waar ge probleemloos een klein tentenkamp mee had kunnen opzetten.
Heel die zaal zat te sniffen en te schokken alsof er collectief slecht nieuws was binnengekomen van het front.
Om maar te zeggen: in die tijd betekende een schoolfeest iets.
Maanden zat ge daar in de klas aan te werken. Teksten inoefenen. Liedjes repeteren. Decors schilderen met verf die meer op behangplaksel leek. De juffrouw half overspannen omdat den helft van de klas zijn replieken vergeten was.
Maar iedereen deed mee. Iedereen leefde daar naartoe.
Het was het absolute hoogtepunt van het schooljaar.
Vandaag ben ik naar het schoolfeest van mijn kleinzoon geweest.
Pfff.
Van de kleuterklas tot het zesde leerjaar: keiharde beatmuziek alsof Tomorrowland failliet gegaan was en tijdelijk zijn intrek genomen had in de turnzaal.
Dan een paar minuten wat krakkemikkige danspasjes van kinderen die precies zelf niet goed begrepen waarom ze daar stonden te springen alsof ze lichte elektroshocks kregen.
Boem boem boem.
Lichtjes.
Armpjes omhoog.
Nog wat boem boem.
Applaus.
Volgende klas.
En ge zit daar dan als fossiel van een vorige beschaving tussen ouders die alles filmen met hun smartphone alsof NASA zo meteen die beelden nodig heeft voor wetenschappelijk onderzoek.
En eigenlijk had ik een paar weken geleden al een voorproefje gekregen van hoe hard die wereld veranderd is. Toen waren we naar een toneelvoorstelling van mijn kleindochter gaan kijken.
Nou… “toneel”.
Volgens Mevr willy was het modern theater. Absurdistisch. Een beetje in de stijl van Wachten op Godot.
Ik heb thuis dan maar eens opgezocht wie die Godot eigenlijk was, omdat ik tijdens dat hele stuk bleef denken dat die mens uiteindelijk toch nog ging binnenkomen om wat orde in de chaos te scheppen.
Maar blijkbaar komt die in het originele toneelstuk zelfs niet opdagen.
Dat verklaarde ineens veel.
Want ook bij mijn kleindochter zat er geen begin in. Geen einde. Geen verhaal.
Alleen een groep jongeren die om beurt absurde dingen naar elkaar riepen alsof ze collectief hun medicatie vergeten waren.
Eén riep iets over een stoel die haar niet begreep.
Een andere keek vijf minuten zwijgend naar een lamp.
Dan begon iemand plots te dansen alsof hij geëlektrocuteerd werd.
En ergens tussendoor moest dat waarschijnlijk diepe kunst voorstellen.
Mevr willy zat aandachtig te kijken alsof ze het allemaal perfect begreep.
Ik niet. Ik zat daar vooral heimelijk te verlangen naar een brave ridder, een boef met een snor en een prinses die op het einde gered werd.
Maar terug naar dat schoolfeest, want daar, tussen al dat boem boem gedoe, stond mijn kleinzoon.
Die kleine gast stond daar te dansen alsof hij persoonlijk verantwoordelijk was voor de elektriciteitsfactuur van de turnzaal.
Vol enthousiasme.
Vol overgave.
De benen van zijn lijf.
En plezier dat hij had. Plezier voor tien.
En terwijl ik daar zat te sakkeren over verdwenen toneelstukken, kartonnen decors en geruite zakdoeken, dacht ik plots: binnen zestig jaar zit híj misschien ook ergens op een klapstoeltje te zuchten omdat zijn kleinkinderen hologrammen staan te projecteren of via artificiële intelligentie toneelstukken opvoeren waar geen mens nog aan uit kan.
Terwijl hij dan heimelijk terugdenkt aan zijn goeie ouwe tijd…
toen kinderen gewoon nog op een podium stonden te springen op veel te luide muziek.