Alice had een konijnenhol. Ik had een huisdokter.
Het begon zoals de meeste miserie begint: met wachten.
Bij de huisdokter.
Zo'n wachtkamer waar de tijd een vreemd soort stroop wordt. Er stonden drie stoelen tegen de muur, twee planten die vermoedelijk al langer patiënt waren dan sommige bezoekers, en op een tafeltje lag een stapel tijdschriften die hun beste jaren hadden beleefd ergens rond de regering-Michel of daaromtrent.
Er hing die typische stilte die ge alleen in wachtkamers vindt. Geen echte stilte, nee. Meer een verzameling kleine geluiden: iemand die schraapt in zijn keel, een kuchje in de hoek, een bladzijde die omgeslagen wordt, en ergens een klok die precies luider tikt dan alle andere klokken ter wereld.
Ik keek wat voor mij uit en toen zag ik hem.
Naast de kapstok stond een wit konijn. Een écht wit konijn, met een doktersjas en een horloge. Om de vijf seconden haalde hij dat uit zijn zak, keek erop en begon zenuwachtig met zijn oren te trillen. En toen wees hij plots naar mij.
"Te laat!" riep hij. "Te laat! Kom! Kom! Kom!"
Nou. Op zo'n moment hebt ge als mens twee mogelijkheden. Ofwel denkt ge: Willy jongen, ge zijt zot aan het worden. Ofwel staat ge recht en loopt ge een wit konijn achterna.
Nu had ik vroeger van mijn moeder geleerd dat ge vreemde konijnen beter niet volgt. Maar ge moet begrijpen: ik ben kankerlijer. En als kankerlijer volgt ge tegenwoordig ongeveer iedereen die een badge draagt.
Dus ik erachter.
En toen begon ik te vallen. Ik viel... en viel... Niet letterlijk misschien. Alhoewel, achteraf weet ik dat eigenlijk niet meer helemaal zeker. Want ineens kwam ik terecht in Kankerland.
Een eigenaardige plek. Heel eigenaardig.
De bomen hadden infuuszakken als bladeren. Wegwijzers wezen tegelijk links, rechts én terug naar waar ge vandaan kwam. Overal stonden bordjes:
Oncologie →
Radiologie ←
Urologie ↑
Onthaal ↓
Nucleaire geneeskunde →
Bloedafname ←
Psychologie ↑
Palliatieve zorg ↓
Koffieautomaat →
En zoals in alle vreemde werelden leek iedereen daar perfect te weten waar hij naartoe moest. Behalve ik.
Op een gigantische paddenstoel zat een blauwe rups. Hij rookte niet; hij zat ernstig naar bloedresultaten te kijken. Toen ik dichter kwam keek hij op. "Wie zijt gij?"
Nu is dat normaal gezien een simpele vraag, maar in Kankerland blijkt dat moeilijk. Want vroeger was ik Willy. Daarna patiënt. Dan prostaatkankerlijer. Dan uitgezaaid. Dan hormoonbehandeld. Dan bestraald. Op den duur weet ge het zelf niet meer.
Dus ik haalde mijn schouders op. "Pfff... geen idee eigenlijk."
Waarop de rups heel begrijpend knikte, alsof hij dat antwoord al duizend keer had gehoord.
Nog voor ik verder kon nadenken hoorde ik links en rechts stemmen. Tweedledum en Tweedledee. Lotgenoten. Ze stonden daar alsof ze mij al jaren kenden.
"Niet panikeren, dat ziet er onschuldig uit."
"Ja, dat zeiden ze tegen mij ook."
"Dat trekt meestal bij."
"Bij mij niet."
"Zo'n plekje zegt niks."
"Bij mij zei zo'n plekje heel veel."
"Ze kunnen tegenwoordig heel veel behandelen."
"Maar ge wordt er wel doodziek van."
En vijf minuten later waart ge tegelijk volledig gerustgesteld en compleet in paniek.
Ze verdwenen weer even plots als ze verschenen waren, en voor mij dook ineens een lange tafel op. Daar zat de Gekke Hoedenmaker. Niet met thee. Met koffie. En rond hem zaten uro-, radio-, onco- en nog een hoop andere -logen. MOC.
Ze keken ernstig naar lichtgevende vlekjes op schermen. Ze wezen. Knikten. Fluisterden. En ergens hoopte ik heel even dat ze het over iemand anders hadden.
Pfff.
En dan hebt ge nog de Rode Koningin. Die riep voortdurend: "Hier moet ge rennen om op dezelfde plaats te blijven!"
En verdorie... dat lijkt verdacht veel op kanker. Scan. Bestraling. Wachten. Bloedwaarden. Nieuwe scan. Nieuwe behandeling. En toch hebt ge soms het gevoel dat ge geen meter vooruit geraakt.
Maar het vreemdste van allemaal is misschien nog iets anders. In het begin denkt ge dat ge daar ooit terug uit gaat geraken. Dat ge op een dag wakker wordt en iemand zegt: "Excuses meneer. Verkeerde deur. Ge moogt terug naar uw oude leven."
Niet dus.
Want ergens onderweg, tussen scans, wachtkamers en lotgenoten, hebt ge ongemerkt uw meubels binnen gedragen. Ge weet waar de koffieautomaat staat. Ge kent de weg. Ge kent de woorden. Ge stelt ineens zelf nieuwe mensen gerust.
En op een dag beseft ge plots iets waar niemand u ooit voor gewaarschuwd heeft: ge zijt hier precies thuis geraakt.
En verdorie... daar schrok ik harder van dan van al de rest.