De Kamanido van de verschrikking

Gepubliceerd op 14 juni 2026 om 04:57

Ik ben vannacht naar een Kamanido geweest.
Tenminste, dat dacht ik.

Zoals wel vaker in dromen begon alles volkomen normaal. Er waren mensen, er was koffie, er waren gesprekken die van prostaten naar tuinhekkens gingen en onderweg nog even halt hielden bij de prijs van boterhamworst. Kortom: een volstrekt geloofwaardige en gezellige Kamanido.

Alleen bleek het huis waarin we bijeenkwamen nogal groot. Nu ja, groot. Dat woord dekt de lading niet helemaal.
Het was een huis dat waarschijnlijk begonnen was als een gewoon huis, maar zich op een bepaald moment had bedacht en besloten had carrière te maken. Terwijl de rest van ons zat te praten, leek het gebouw stilletjes verder te groeien, zoals een gistend brood dat niemand in de gaten houdt.

Het werd laat,en ik mocht blijven slapen. En dan kreeg ik een kamer toegewezen. Dat vond ik nog een vriendelijke geste. Ik sliep uitstekend.

Na het ontbijt — dat overigens uitmuntend was en waarin zelfs een tompouce voorkwam die ongeveer de afmetingen had van een volwassen labrador — besloot ik terug naar mijn kamer te gaan om mijn spullen op te halen.

En dan begon de miserie.

Ik sloeg linksaf. Daarna rechts. Daarna nog eens links.
En toen begon het huis zich met mijn plannen te bemoeien.

De gang die daarjuist nog naar de ontbijtruimte leidde, kwam nu uit in een bibliotheek. Een trap die ik zeker niet eerder gezien had, stond plots midden in een muur geparkeerd. De deuren zagen eruit alsof ze in een fabriek voor identieke deuren werden gekweekt.
Overal deuren. Honderden deuren. Duizenden deuren. Een mens kreeg de indruk dat het huis eigenlijk uit deuren bestond en dat de kamers slechts een nevenproduct waren.

Ik bleef zoeken.

Want dat is wat mensen doen. Wanneer ze iets kwijt zijn, blijven ze zoeken, zelfs wanneer ze diep vanbinnen al vermoeden dat het gezochte voorwerp zich ondertussen in een andere werkelijkheid bevindt.

Het huis werd groter. Niet figuurlijk. Letterlijk.

Elke gang die ik doorliep kreeg onderweg een stuk gang bij. Zalen zetten uit als longen. Trappen vermenigvuldigden zich als konijnen. Op een bepaald moment kwam ik terecht op een verdieping die onmogelijk in het gebouw had gepast. Dat wist ik zeker, want zelfs in dromen beschik ik blijkbaar nog over een beperkte bouwkundige kennis.

En toen vond ik een trap. Een smalle trap die naar beneden liep. Heel ver naar beneden. Naar een diepte waarvan je onmiddellijk voelt dat niemand daar vrijwillig architect voor geworden is.

Onderaan lag een ruimte zo groot dat ze haar eigen horizon had. Door die ruimte liep een eindeloze lopende band. En rond die band werkten honderden schepsels.
Ik kan ze moeilijk beschrijven omdat ze eruitzagen alsof iemand allerlei Halloweenfiguren in een blender had gegooid en daarna de handleiding kwijtgeraakt was.

Sommigen hadden armen die tot op de grond sleepten.
Anderen leken uit vergeten onderdelen samengesteld.
Hier en daar zag je een oog op een plaats waar een oog geen enkele professionele reden had om zich te bevinden.

En allemaal waren ze bezig. Koortsachtig. IJverig. Alsof het einde van de wereld naderde en ze nog snel een voorraad mislukte werkelijkheid moesten produceren.

Aan de lopende band verschenen voorwerpen die er bijna normaal uitzagen, maar net niet.
Klokken die achteruit dachten.
Stoelen die waarschijnlijk onbetrouwbare politieke overtuigingen hadden.
Paraplu's die uitsluitend regen verzamelden aan de binnenkant.
Boeken waarin de laatste bladzijde telkens ontbrak.

Het soort dingen waarvan je onmiddellijk begrijpt dat ze niet thuishoren in een fatsoenlijk universum.

En toen zagen ze mij.

Het vreemde was niet dat ze mij zagen. Het vreemde was dat ze allemaal tegelijk stopten.

De hele fabriek viel stil. Alsof iemand de stekker uit de nachtmerrie had getrokken. Honderden koppen draaiden langzaam mijn richting uit.

Dat is zo'n moment waarop een mens beseft dat zijn dag waarschijnlijk niet meer beter wordt.

Toen begonnen ze te krijsen. Ze grepen emmers vol zwarte smurrie en gooiden die naar mij. Niet zomaar vuiligheid. Dit was geconcentreerde droomvuiligheid. Het soort smurrie dat niet alleen aan je jas blijft hangen, maar ook aan je herinneringen.

Dus liep ik. En terwijl ik liep, groeide het huis opnieuw.

De gangen werden langer. De deuren talrijker. De trappen ingewikkelder. Het was alsof het gebouw mij langzaam verteerde. Alsof ik niet langer verdwaald was in het huis, maar het huis verdwaald was geraakt in mij.

Ik bleef rennen terwijl achter mij het gekrijs dichter kwam. En rennen... en rennen......

 

Tot ik wakker schoot.

In mijn eigen slaapkamer. In mijn eigen bed. Met een hartslag die probeerde een persoonlijke snelheidsrecord neer te zetten.
En terwijl ik daar lag, duurde het toch enkele seconden voor ik besefte dat ik gewoon thuis was. Dat er geen fabriek bestond. Geen monsterlijke arbeiders. Geen eindeloze gangen.

Oeff......

Al moet ik toegeven dat ik sindsdien toch met iets meer argwaan naar de volgende Kamido uitkijk

Je weet nooit wat ze daar allemaal gaan uitspoken