We houden van...
We houden van de regen.
Van regen
die zachtjes neerdaalt
uit een gehavende hemel.
Van druppels
die de aarde verkoelen,
de bladeren wassen,
de stilte groter maken.
We luisteren.
We glimlachen.
We noemen haar mooi.
Tot de wind opstaat.
Tot de hemel openscheurt.
Dan sluiten we onze ramen.
En vergeten we
dat het nog altijd
dezelfde regen is.
We houden van het vuur.
Van een kleine vlam
die koude handen vindt,
gezichten verwarmt,
woorden zachter maakt.
We schuiven dichterbij.
We zwijgen.
We noemen het warmte.
Tot het vuur adem krijgt.
Tot de vlammen hoger reiken.
Dan doen we een stap achteruit.
En vergeten we
dat het nog altijd
hetzelfde vuur is.
We houden van de zee.
Van golven
die onze voeten begroeten,
van een horizon
zonder einde.
Van haar adem.
Van haar eindeloze komen
en gaan.
We blijven kijken.
We noemen haar vrijheid.
Tot de storm haar stem vindt.
Tot de golven niet meer fluisteren
maar brullen.
Dan zoeken we het droge land.
En vergeten we
dat het nog altijd
dezelfde zee is.
We houden ook van mensen.
Van hun zachtheid.
Van hun glimlach.
Van hun rustige dagen.
Van alles
wat ons niet uit evenwicht brengt.
Maar ook mensen
kennen regen.
Ook mensen
dragen vuur.
Ook mensen
hebben een zee in zich.
Soms waait het.
Soms brandt het.
Soms slaan de golven
tegen de dijken van ons hart.
En dan...
sluiten wij onze ramen.
Doen wij een stap achteruit.
Zoeken wij het droge land.
Niet omdat zij veranderd zijn.
Maar omdat wij
de storm niet begrijpen.