Er was eens een man die op een regenachtige avond een oude kabouter uit een braamstruik bevrijdde.
"Je hebt mij geholpen," zei de kabouter. "Daarom krijg je één wens."
"Rijkdom hoeft niet," zei de man. "Daar wordt een mens alleen maar zenuwachtig van."
"Te laat," zei de kabouter. "Ik heb al gekozen."
Hij gaf de man een eenvoudig kiezelsteentje. "Leg dit vannacht onder je hoofdkussen."
Dat deed de man.
De volgende ochtend gebeurde er niets bijzonders. Tenminste... dat dacht hij.
Maar toen hij zijn eerste kop koffie dronk, herinnerde hij zich ineens hoe zijn grootvader vroeger de suikerklontjes stiekem opat voordat de koffie klaar was.
Hij glimlachte. Tegen de middag dacht hij weer aan een schoolvriend die hij al veertig jaar vergeten was.
's Avonds rook hij ergens vers gemaaid gras en stond hij plots weer als twaalfjarige in een zomervakantie die allang voorbij was.
De volgende nacht gebeurde hetzelfde. Alle herinneringen die hij bezat, werden verdrievoudigd.
Maar niet alleen de mooie. Ook de pijnlijke. De ruzies. De gemiste kansen. De mensen die hij verloren had.
Binnen een week leefde hij meer in gisteren dan in vandaag. Hij sliep nauwelijks nog.
Dus ging hij de kabouter zoeken. Die zat rustig op een boomstronk fluit te spelen.
"Je hebt me bedrogen," zei de man.
"Hoezo?"
"Mijn herinneringen blijven zich vermenigvuldigen. Mijn hoofd zit propvol."
De kabouter keek verbaasd. "Dat is vreemd." Hij haalde een vergeeld notitieboekje uit zijn jaszak en begon te bladeren. "Ach..." Hij sloeg zichzelf tegen het voorhoofd. "Ik heb de verkeerde spreuk gebruikt."
"Welke had je dan moeten nemen?"
"Die voor warme voeten in de winter. Maar die pagina's plakken altijd aan elkaar."
De man keek hem ongelovig aan. "Kun je het nog ongedaan maken?"
De kabouter dacht even na. "Waarschijnlijk wel."
"Maar ik ben bang dat ik dan ook de geur van vers gemaaid gras meeneem."
"En de stem van je moeder."
"En dat ene zomeravondje waarop je tot veel te laat vuurvliegjes probeerde te vangen."
"En de eerste keer dat je verliefd werd."
Hij haalde zijn schouders op. "Mijn spreuken zijn niet zo precies."
De man zei een hele tijd niets.
Toen knikte hij langzaam. "Laat dan maar."
De kabouter glimlachte tevreden, stopte zijn boekje weer weg en verdween tussen de bomen.
Sindsdien liet de man zijn herinneringen gewoon komen. De vrolijke kwamen lachend. De verdrietige klopten wat zachter aan.
Maar na verloop van tijd merkte hij iets merkwaardigs.
Bijna elke pijnlijke herinnering bleek ergens een mooie in haar kielzog mee te dragen. Alsof verdriet en liefde ooit samen op reis waren vertrokken en onderweg simpelweg waren vergeten elkaar los te laten.
En heel soms, op moeilijke dagen, dacht hij nog weleens aan die stuntelige kabouter.
Misschien, bedacht hij dan, had die zich helemaal niet vergist.
Misschien had hij alleen iets gegeven waarvan mensen pas veel later begrijpen dat het óók een geschenk was.