In 1977 lanceerde NASA Voyager 1 en Voyager 2.
Hun opdracht was de buitenste planeten van ons zonnestelsel te onderzoeken. Dat deden ze. Daarna vlogen ze gewoon verder. Voyager 1 bereikte in 2012 de interstellaire ruimte, Voyager 2 volgde in 2018. Het zijn nog altijd de enige twee door mensen gemaakte toestellen die ooit zo ver van huis onderzoek hebben gedaan.
En bijna 49 jaar later werken ze nog steeds. Dat is ongeveer alsof je vandaag nog dagelijks met een computer uit 1977 werkt. Alleen staat die computer miljarden kilometers verderop en duurt het bij Voyager 1 bijna een etmaal voor je commando hem bereikt.
Probeer daar maar eens de stekker uit en weer in te steken.
Maar Voyager wordt oud.
De sondes halen hun elektriciteit uit de warmte van radioactief verval. Hun energievoorraad neemt ieder jaar verder af. En daar bestaat geen oplossing voor.
Dus stellen de ingenieurs van NASA niet langer de vraag: Hoe krijgen we weer meer energie?
Ze stellen een veel ongemakkelijkere vraag:Waar willen we de energie die er nog is aan besteden?
Camera's gingen uit. Verwarmingselementen werden stilgelegd. Wetenschappelijke instrumenten worden één voor één uitgeschakeld. Soms toestellen die nog perfect functioneren. Niet omdat ze waardeloos geworden zijn. Maar omdat iets anders belangrijker is.
Nou, en daar ga ik weer. Voyager vergelijken met ons, die lieve kankerlijers.
Je begint ooit met alles aan. Werken. Reizen. Sporten. Een avondje weg. Een tuin omspitten. Drie afspraken op één dag en daarna nog denken dat je best even boodschappen kunt doen.
En dan komt er ergens een moment waarop energie geen vanzelfsprekendheid meer is en je begint ook uit te schakelen.
Eerst dingen die niet zo belangrijk zijn.
Daarna dingen die je eigenlijk graag deed.
Soms zelfs dingen die nog best zouden kunnen, maar waarvan je weet dat de rekening morgen komt.
Niet omdat je opgeeft. Maar omdat je begint te beseffen dat energie een budget geworden is.
En dan wordt de vraag ineens dezelfde als bij Voyager: Wat moet absoluut aanblijven?
Een rotvraag. Want een kapot toestel uitschakelen is gemakkelijk. Maar iets uitschakelen dat nog werkt, alleen omdat je de energie ergens anders harder nodig hebt, voelt verdacht veel als inleveren.
NASA kreeg bij Voyager nog met een ander probleem te maken. Een geheugenchip raakte defect. Vervangen kon uiteraard niet. Er was nergens voldoende vrije geheugenruimte om alles wat erop stond over te nemen. Dus hakten de ingenieurs de software in stukken en verdeelden die over verschillende nog bruikbare geheugenplaatsen.
Niet herstellen wat verloren was , maar herschikken wat nog overbleef.
Das ook akelig bekend Na een ernstige ziekte gaat het vaak over herstellen. Wanneer ben je weer de oude?
Misschien nooit. Misschien is dat zelfs de verkeerde vraag Want soms krijg je het oude systeem niet meer terug.
Dan wordt het schuiven. Een stukje hier. Iets anders daar.
Rust tussen twee activiteiten die vroeger moeiteloos achter elkaar konden. Plannen rond ziekenhuisafspraken. Een slechte dag ruilen voor een betere. Dingen loslaten om andere dingen nog een tijdje vast te kunnen houden.
Geen herstel naar fabrieksinstellingen. Meer een voortdurend herschikken van wat nog beschikbaar is.
Voyager is ondertussen een ruimtesonde met steeds minder instrumenten, minder energie en onderdelen die al lang niet meer werken zoals ooit bedoeld.
En toch vliegt dat oude kreng verder. Niet zoals in 1977. Niet compleet. Niet hersteld. Maar met zijn antenne nog altijd naar huis gericht.
Misschien is dat uiteindelijk de verkeerde vraag: hoe krijg ik alles weer aan de praat?
Misschien moet de vraag zijn: wat wil ik absoluut aan laten?
Want als de energie beperkt wordt, is uitschakelen niet altijd opgeven.
Soms moet er iets donker worden om ergens anders het licht nog wat langer te laten branden.