Je bent nooit alleen
Er is ergens een huis
waar niemand naartoe wilde.
Geen mens zocht het op,
niemand zette het ooit
op zijn lijstje voor later.
We kwamen er terecht
met iets in onze handen
dat te zwaar was
om alleen te dragen.
En iemand schoof een stoel bij.
Je bent nooit alleen.
Niet wanneer de herfst komt
en je ineens merkt
dat ook bomen kunnen loslaten.
Niet wanneer een uitslag
nog ergens onderweg is
en jij al honderd keer
de verkeerde toekomst hebt geleefd.
Niet wanneer de nacht valt
en naast je iemand rustig ademt
terwijl in jouw hoofd
alle deuren openstaan.
Je bent nooit alleen.
Ergens brandt nog licht.
Ergens zit iemand
achter hetzelfde blauwe scherm,
met dezelfde angst,
dezelfde vragen,
dezelfde verdomde onzekerheid.
Misschien schrijft hij.
Misschien leest zij alleen.
Misschien zegt niemand iets.
Maar ergens
zit iemand die weet.
Je bent nooit alleen.
Hier wordt gelachen.
Godzijdank wordt hier gelachen.
Om kale koppen,
plasproblemen,
darmen met een eigen wil,
om pillen bij het ontbijt
en dokters die zeggen
dat iets hooguit
een beetje onaangenaam wordt.
We lachen
omdat huilen ook maar huilen is
en een mens af en toe
iets anders moet.
Je bent nooit alleen.
Maar soms
wordt het stil.
Een behandeling stopt.
Een scan vertelt
wat niemand wilde horen.
Iemand schrijft
dat er geen volgende mogelijkheid meer is.
En soms
blijft een stoel leeg.
Gisteren zat daar nog iemand.
Vandaag niet meer.
En ook dan —
juist dan —
ben je nooit alleen.
Want we herinneren ons.
Een naam. Een grap.
Een boos bericht. Een foto.
Een laatste groet.
Mensen verdwijnen
en blijven hier toch
nog een beetje zitten.
Zoals warmte
nog even in een stoel blijft hangen
nadat iemand is opgestaan.
Je bent nooit alleen.
Het is een vreemde troost.
Want eerlijk —
we hadden elkaar
liever nooit ontmoet.
We waren elkaar
op straat voorbijgelopen.
Jij naar daar. Ik naar ginder.
Ieder met zijn eigen leven,
zijn eigen kleine zorgen,
zijn eigen plannen voor later.
Tot het leven
zonder iets te vragen
onze wegen verlegde.
En hier zitten we dan.
Je bent nooit alleen.
Niet omdat iemand
jouw pijn kan overnemen.
Niet omdat iemand
voor jou die scanner in kan.
Niet omdat iemand
het spook bij zijn nekvel pakt
en buitenzet.
Was het maar waar.
Maar wanneer jij valt,
weet iemand hoe vallen voelt.
Wanneer jij bang bent,
hoef je niet uit te leggen waarom.
Wanneer jij vloekt,
zegt niemand
dat je positief moet blijven.
En wanneer jij even niet meer kunt,
is er er altijd
ergens
iemand
die nog even bij je blijft.
Je bent nooit alleen.
Misschien is dat alles
wat wij elkaar kunnen geven.
Geen genezing. Geen zekerheid.
Geen belofte dat het goedkomt.
Alleen dat kleine licht
in dat vreemde huis
waar niemand ooit
had willen wonen.
Een licht achter een raam.
Nog één.
En verderop nog één.
Je bent nooit alleen.
Niet vannacht.
Niet morgen.
Niet wanneer de herfst komt
en de bladeren vallen.
Niet wanneer de regen komt.
Niet wanneer het stil wordt.
Ergens brandt nog licht.
Ergens zit iemand.
Ergens wordt jouw angst herkend.
En zolang dat zo is —
ben je nooit alleen.