Jouw Mens

Gepubliceerd op 26 augustus 2026 om 21:02

Als je lang genoeg samen bent, vergeet je soms hoe het allemaal begonnen is.

Je was jong, je lijf werkte zoals het hoorde en de toekomst was iets waar je nauwelijks over nadacht. Die lag daar gewoon. Voor jullie.
En natuurlijk was er liefde. Maar er was ook begeerte. Je vond dat andere lichaam mooi. Je wilde eraan zitten, ermee vrijen, ertegenaan wakker worden. Je kende ieder plekje en ontdekte er met plezier nog een paar bij.

Daarna gingen de jaren voorbij. Het lichaam veranderde. Het jouwe trouwens ook. Buiken werden wat ronder, borsten wat minder eigenwijs, haar verdween waar je het graag had en verscheen waar niemand erom gevraagd had. Niks dramatisch. Je werd gewoon samen ouder.
En de liefde werd ook ouder. Niet minder. Misschien zelfs meer. Alleen anders. Er zat ondertussen een heel leven tussen die twee lichamen. Mooie jaren, rotdagen, ruzies, vakanties, kinderen misschien, zorgen, lachen om onnozelheden.
Alles wat van iemand na zoveel jaren niet zomaar iemand maakt:  jouw mens.

En toen kwam kanker. En kanker kan een lichaam grondig veranderen.

Een borst verdwijnt. Een prostaat. Een testikel. Een stuk darm. Er komen littekens waar vroeger gave huid zat. Haar valt uit. Een gezicht zwelt op van cortisone of wordt smal van ziekte. Er hangt ineens een zakje aan een buik, een slangetje uit een arm, een katheter waar je vroeger toch echt andere plannen had met dat lichaamsdeel.
En ook begeerte krijgt soms klappen. Een man kan impotent worden. Een vrouw kan alle zin in seks verliezen. Soms doet aanraken pijn. Soms is iemand gewoon zo godvergeten moe dat zelfs een knuffel bijna werken wordt. En soms staat een mens naakt voor de spiegel en denkt: is dit nu mijn lijf?

De ander ziet het natuurlijk ook.

Dat vergeten we soms wanneer we praten over kanker en liefde. Alsof de partner uit een ander soort materiaal gemaakt is. Alsof die niet ziet wat er verdwijnt. Die ziet ook dat lichaam veranderen. Die herinnert zich hoe het vroeger was. Hoe je samen in bed lag zonder pillendoosjes op het nachtkastje, zonder pijn, zonder angst voor de volgende scan. Hoe je elkaar aanraakte zonder eerst te moeten vragen of het ergens zeer deed.

En toch wordt er nog altijd gekust. Misschien anders dan vroeger. De mond waarop je je ooit met behoorlijk weinig terughoudendheid stortte, krijgt nu een voorzichtige kus omdat hij droog en pijnlijk is van de medicatie. Je kust een kaal hoofd waar vroeger haar zat waarin je met je vingers woelde. Een ingevallen wang. Een litteken. Een voorhoofd boven ogen die al uren dicht zijn.

Vroeger kuste je omdat je meer wilde. Nu kus je soms omdat je bang bent dat er straks minder zal zijn. Een immens verschil.

Want kanker pakt niet alleen stukken van een lichaam. Ze kan ook langzaam dingen wegvreten die ooit zo vanzelfsprekend waren tussen twee mensen. Seks. Spontaniteit. Onbezorgdheid. Samen plannen maken zonder ergens achter in je hoofd een stemmetje dat vraagt of je die datum überhaupt zult halen.

En toch blijft die andere daar. Niet altijd glimlachend en dapper. Dat zou mooi zijn voor in een film, maar zo werkt het niet.

Want liefde met kanker erbij kan behoorlijk lelijk zijn. Je wast een lichaam dat je vroeger begeerde. Je helpt het naar het toilet. Je trekt een onderbroek omhoog. Je vervangt misschien een stomazakje. Je ruimt braaksel op. Je smeert zalf tussen billen. Je trekt een pyjama over schouders die smaller geworden zijn. Je houdt een bakje vast terwijl iemand overgeeft en vraagt daarna of het een beetje gaat, terwijl je allebei verdomd goed weet dat het niet gaat.

Daarna was je je handen. En soms geef je een kus. Niet omdat dat lichaam op dat moment aantrekkelijk is. Maar omdat het van hem is. Van haar. Van jouw mens.
Misschien is dat het vreemde aan liefde. Een lichaam hoeft niet aantrekkelijker te worden om dierbaarder te worden. Integendeel zelfs.
Soms wordt het lichaam almaar moeilijker. Het moet geholpen, gewassen, verzorgd, ondersteund. Het laat je 's nachts niet slapen. Het maakt plannen onmogelijk. Het kan ruiken naar zweet, urine, ontsmettingsmiddel en angst. Het kan je dagen beheersen, je nachten, vooral je nachten,  en je soms zelfs kwaad maken.

Ook op degene die ziek is. Dat mag misschien niet, maar het gebeurt.
Je kunt van iemand zielsveel houden en tegelijk denken: ik kan niet meer. Je kunt naast een ziekbed zitten en verlangen naar één doodgewone avond waarop niemand ziek is. Je kunt geïrriteerd raken omdat er alweer iets moet, alweer een pil, alweer een dokter, alweer pijn. En vijf minuten later een deken wat hoger trekken omdat je denkt dat hij/zij het koud heeft.

Misschien is liefde soms precies zo onooglijk. Geen vioolmuziek. Gewoon die deken wat hoger trekken. Een glas water aangeven. Om drie uur 's nachts vragen of het gaat.

En blijven zitten.

Ooit begeerde je dat lichaam. Je wilde eraan zitten, ermee vrijen, ertegenaan wakker worden. Jaren later zou je alles geven voor één gewone dag van vroeger. Niet eens voor de seks. Gewoon samen aan tafel. Een boterham eten. Ruzie maken over iets onnozels.

Maar misschien komt zo'n dag niet meer.

Dan zit je daar. Naast dat lichaam dat ooit zo vanzelfsprekend bij jouw leven hoorde. Dat je begeerde, waarmee je vrijde, waarmee je ouder werd en dat je nu helpt, wast en verzorgt.

Je pakt die hand. Misschien wordt er nog even teruggeknepen. Misschien ook niet.

En je geeft een kus. Niet meer omdat je iets van dat lichaam wilt. Je wilt alleen die mens nog niet kwijt. Jouw mens.

Misschien is dat uiteindelijk liefde.

Niet blijven omdat alles nog is zoals vroeger.

Blijven terwijl bijna niets meer is zoals vroeger.