Als ik sterf, plant dan bloemen op mijn graf.
Als ze bloeien, kun je ze plukken
en mij weer vasthouden.
Ik las dat ergens en bleef er wat aan hangen. Niet zozeer aan dat graf. Daar heb ik voorlopig weinig haast mee. Maar aan dat vreemde, mooie idee dat iemand na zijn dood bloemen zou kunnen worden en dat iemand die van hem gehouden heeft die bloemen dan weer even kan vasthouden.
Nu weet ik ook wel dat het zo niet werkt. Als Mevr Willy later een bos margrieten van mijn graf plukt, staat ze niet plots met een stukje Willy in haar handen. Zo gemakkelijk komen we er niet vanaf. Maar helemaal onzin is het ook niet.
Want alles wat ik ben, is uiteindelijk geleend.
Mijn lichaam bestaat uit een handvol koolstof, calcium, zuurstof, water, ijzer en nog een hoop spul waarvan ik zelfs na drieënzeventig jaar niet precies weet wat het allemaal in mij uitspookt. Atomen die er al miljarden jaren waren voordat iemand ooit van Willy had gehoord en die op een bepaald moment blijkbaar besloten hebben om samen mij te zijn. Mijn botten, mijn bloed, mijn handen, mijn ogen. Een hart dat liefhad en een hoofd dat soms veel te veel nadacht. Een tijdelijke constructie dus. Met hier en daar inmiddels wat bouwschade.
Die atomen waren er vóór mij en zullen er ook na mij nog zijn. Sommige werden ooit diep in sterren gevormd. Daarna hebben ze misschien in stenen gezeten, in zeeën, bomen, dieren, andere mensen. Geen idee. Ze hebben in ieder geval een aanzienlijk langere reis achter de rug dan de paar decennia waarin ze toevallig mijn naam dragen.
En ooit wordt de boel weer uit elkaar gehaald.
Dat klinkt niet bepaald gezellig. De dood als grote huisbaas die op een dag aanbelt en zegt: Zo meneer Willy, het huurcontract zit erop. Graag alles netjes opleveren.
Alleen valt er niet zoveel netjes op te leveren. Een kras hier, een deuk daar, een paar onderdelen die niet meer naar behoren functioneren. Er is flink in geleefd, zullen we maar zeggen.
Maar daarna verdwijnen die atomen dus niet. Mijn lichaam houdt op Willy te zijn, dat wel. Daar hoeven we geen romantisch verhaal van te maken. Ik zal niet als complete meneer verder leven in een eik of op een zonnige ochtend uit een paardenbloem naar de wereld zitten kijken. Maar de spullen waaruit ik gemaakt ben, blijven gewoon bestaan.
Misschien komt een beetje koolstof dat nu ergens in mijn arm zit ooit in een boom terecht. Misschien belandt calcium uit mijn botten in de grond. Misschien wordt iets van mij opgenomen door een grasspriet, opgegeten door een koe en zit ik uiteindelijk in een pak melk. Het eeuwige leven blijkt soms minder poëtisch wanneer je er iets langer over nadenkt.
Maar misschien word ik ook wel een bloem. En dan wordt dat zinnetje ineens weer mooi.
Als ze bloeien, kun je ze plukken en mij weer vasthouden.
Niet mij natuurlijk. Niet echt. Maar iets wat ooit deel van mij was. Een paar atomen die na miljarden jaren rondzwerven een tijdje Willy zijn geweest en daarna gewoon weer verder reizen.
Eigenlijk vind ik dat een geruststellender gedachte dan allerlei grote verhalen over eeuwigheid. Alles wat ik mijn hele leven zo vanzelfsprekend ik heb genoemd, blijkt uiteindelijk een verzameling geleende deeltjes die elkaar heel even hebben vastgehouden. Heel even, op de schaal van het universum tenminste. Lang genoeg om kind te zijn, groot te worden, verliefd te worden, fouten te maken, te lachen, mensen graag te zien, afscheid te nemen, bang te zijn, koppig te zijn en me druk te maken over een heleboel dingen waarvan achteraf bleek dat ze nauwelijks de moeite waard waren.
Lang genoeg om een leven te worden. En daarna laat de verzameling elkaar weer los.
Misschien is dat de dood wel wanneer je alle grote woorden eraf schraapt. Niet verdwijnen, maar uit elkaar vallen en teruggeven wat je al die tijd alleen maar te leen had.
Wat er met een ziel gebeurt, weet ik niet. Ik weet zelfs niet of er eentje is. Dat laat ik graag over aan mensen die daar stelliger over kunnen praten dan ik. Maar van mijn atomen weet ik het wel. Die verdwijnen niet. Ze worden iets anders. Regen misschien. Een boom. Een vogel. Een korrel zand. Een bloem. Of dus, met een beetje pech, een pak halfvolle melk.
Nou, die gedachte aan dat teruggeven maakt me niet verdrietig. Misschien omdat het universum blijkbaar een geweldige kringloopwinkel is. Er wordt niets weggegooid. Alles krijgt gewoon een volgende bestemming.
Dus ooit geef ik alles terug. Mijn handen, mijn ogen, mijn hart, mijn botten. Zelfs dat hoofd dat nooit behoorlijk heeft geleerd wanneer het eindelijk eens moest ophouden met denken. Alles terug naar waar het vandaan kwam.
Behalve misschien de liefde.
Daar blijf ik een beetje mee zitten. Want liefde vind je niet terug in het periodiek systeem. Je kunt haar niet uit een lichaam halen, wegen en vervolgens vaststellen hoeveel gram ervan overblijft. En toch is ze er geweest. Soms jarenlang. Soms maar even. Soms zelfs nog lang nadat degene van wie je hield er niet meer was.
Misschien zijn het daarom uiteindelijk toch die drie regels waar ik aan bleef hangen.
Als ik sterf, plant dan bloemen op mijn graf.
Als ze bloeien, kun je ze plukken
en mij weer vasthouden.
Misschien hou je dan helemaal geen stukje van mij vast.
Misschien hou je alleen vast wat ik bij jou heb achtergelaten.
En dat hoeft het universum van mij niet terug te krijgen.