Op 17 januari 1920 begon in Amerika de Prohibition, beter bekend als de Drooglegging.
Een nobel experiment van de Amerikaanse overheid. Vanaf die dag mocht er geen alcohol meer geproduceerd, verkocht of vervoerd worden. De Amerikanen zouden voortaan nuchter door het leven gaan. Dat was althans het plan.
Het werd een geweldig succes – Voor Al Capone.
Binnen de kortste keren reden er vrachtwagens vol illegale whisky door Chicago, ontstonden er duizenden geheime cafés, werd er in achterkamertjes gin gestookt en liepen mannen met gleufhoeden en mitrailleurs elkaar dood te schieten om het recht te verwerven de bevolking van voldoende drank te voorzien.
Dertien jaar later hebben ze de drooglegging maar weer afgeschaft.
En nu, ruim honderd jaar later, is ze opnieuw ingevoerd – In Wommelgem.
Voorlopig maar voor één inwoner: Mr Willy. De boosdoener heet deze keer niet de Amerikaanse regering maar fentanyl. Een klein pleistertje dat er vrij onschuldig uitziet maar blijkbaar nogal autoritaire trekjes heeft. Sinds dat ding op mijn lijf geplakt zit, bepaalt het niet alleen hoeveel pijn ik voel, het begint zich ook met mijn drankgebruik te bemoeien.
Alcohol en fentanyl gaan namelijk niet goed samen. Of juist véél te goed. Dat is eigenlijk het probleem. Allebei maken ze je slaperig, ze kunnen je ademhaling onderdrukken en wanneer je ze samenbrengt, versterken ze elkaar. En aangezien ik tegenwoordig 's nachts al genoeg apparatuur nodig heb om te blijven ademen, is het niet verstandig daar zelf nog een extra moeilijkheidsgraad aan toe te voegen.
Dus geen alcohol meer.
Nou. Daar sta je dan. Ik was nochtans geen groot drinker. Geen verborgen flessen jenever achter de bloempotten. Geen ochtendwhisky. Geen Mevr Willy die om elf uur 's morgens mijn sleutels moest afpakken omdat ik vond dat ik nog uitstekend in staat was om met de camper naar Frankrijk te rijden.
Maar ik lustte wel graag eens een Kasteelbiertje. De laatste jaren meer en meer zelfs.
En uiteraard is er onze vrijdagse kaas-en-wijnavond. Al een jaar of dertig. Kaasje op tafel, flesje wijn erbij en wij twee. Zo'n klein ritueel waar eigenlijk niks spectaculairs aan is en dat juist daarom belangrijk wordt.
En daar komt dan zo'n pleister tussen. Twee bij drie centimeter farmaceutische bemoeizucht. Ik heb hem nog eens goed bekeken. Hij zag er niet uit alsof er over te onderhandelen viel.
Ook niet met Mevr Willy trouwens/ Die drinkt geen wijn. Voor haar is de Drooglegging een prima initiatief. Geen enkel offer, geen ontwenningsverschijnselen en toch moreel volledig aan de juiste kant van de geschiedenis.
Ik heb het nog geprobeerd. “Dus vrijdag ook geen wijn meer?”
“Nee.”
“Eén glaasje?”
“Nee.”
“Bij de kaas?”
Ze keek mij aan. Einde onderhandelingen. Sindsdien is het hier dus 1920. De koelkast is officieel drooggelegd. Geen wijn. Geen Kasteelbier. Geen achtergebleven flesje dat zich per ongeluk tussen de mayonaise en de augurken heeft verstopt.
De autoriteiten houden toezicht. Ik woon ermee samen. Dat betekent dat de bevoorrading voortaan via andere kanalen moet verlopen.
De voordeur valt af. Te veel zicht vanuit de keuken. Bovendien kent Mevr Willy mijn normale boodschappen en een man van 73 die op vrijdagavond plots met een sporttas binnenkomt, roept vragen op.
Dus werken we met achterpoortjes. Letterlijk. Om drie uur 's nachts draait ergens aan het begin van de straat een zwarte Buick zonder nummerplaat de hoek om. Koplampen uit. Hij rijdt stapvoets door Wommelgem. Twee mannen stappen uit. Lange jassen. Gleufhoeden diep over de ogen. De ene blijft op de hoek staan met een sigaar in zijn mond en kijkt wantrouwig naar iedere voorbijrijdende fiets. De andere verdwijnt achter een haag.
De Buick rijdt verder. Stopt achter het huis. Drie korte tikken op het tuinpoortje. Stilte. Nog twee tikken.
Ik kom naar buiten in mijn kamerjas. “Willy?”
Ik knik. “Hebt ge het geld?”
Ik schuif hem een envelop toe. Hij opent zijn lange jas. Bak Kasteelbier.
“Ge hebt mij nooit gezien.”
“Wie zijt gij?”
Hij knikt tevreden. Professionals.
Nu moet de smokkelwaar alleen nog binnen geraken.
Via het tuinpoortje, langs het tuinhuis, achter de vuilnisbakken door en dan zo snel mogelijk naar de kelder.
De eerste lading verdwijnt achter de kerstversiering. Daar komt Mevr Willy zelden.
De tweede in een kartonnen doos waarop ik met dikke zwarte stift ELEKTRISCHE ONDERDELEN schrijf. Daar kijkt geen vrouw vrijwillig in.
Het systeem werkt uitstekend. Drie dagen.
Dan staat Mevr Willy boven aan de keldertrap. “Wat moet gij daar?”
“Niks.”
“Ge staat in de kelder.”
“Ik moest iets hebben.”
"Wat?”
“Een verlengkabel.”
“Die liggen in de garage.”
Verdomme. Ik mompel iets over een ander model en kom weer naar boven.
Vanaf dan moet de organisatie professioneler worden. Geen grote leveringen meer. Kleine hoeveelheden. Wisselende routes. Soms via de garage. Soms achter in de camper. Eén keer overweeg ik een fles tussen de was te verstoppen, maar daar heeft Mevr Willy terreinvoordeel.
Te gevaarlijk. Ook de koelkast blijft een mogelijkheid. Een fles wijn helemaal achteraan. Daarvoor een pak yoghurt. Niemand kijkt achter yoghurt. Behalve Mevr Willy. Die kijkt overal.
Daar hebben ze Al Capone destijds waarschijnlijk ook mee gepakt. Belastingen, zeggen de geschiedenisboeken. Ik denk yoghurt.
Ondertussen groeit mijn netwerk.
In Schoten zit naar verluidt een man die nog aan Duvel kan geraken. In Borsbeek iemand met Westmalle. Namen worden niet genoemd. Alleen voornamen en soms zelfs die niet.
“Ge moet naar den Jos.”
“Welke Jos?”
“Als ge dat moet vragen, zijt ge niet klaar voor den Jos.”
De vrijdagavond blijft natuurlijk het grote probleem. Dertig jaar kaas-en-wijnavond laat zich niet zomaar door een stukje fentanyl uit de geschiedenis schrappen.
Dus komt de kaas gewoon op tafel. Mevr Willy zit tegenover mij. Zij heeft iets zonder alcohol. Ik ook.
Ik neem een slok. Kijk naar het flesje. Nog een slok.
“En?”
“Lekker.”
Ze kijkt mij aan. “Echt?”
“Nee.”
We eten verder. Buiten rijdt langzaam een auto door de straat. Ik kijk naar het raam. Mevr Willy kijkt naar mij.
“Wat?”
“Niks.”
“Waarom kijkt ge dan?”
“Ik mag toch naar buiten kijken?”
De auto stopt. Ik snij een bijzonder groot stuk kaas af.
Stilte. De auto rijdt weer verder. Vals alarm. De echte leveringen gebeuren later. Er ontstaat stilaan een hele ondergrondse economie. De achterpoort wordt de Canadese grens van Wommelgem. De camper fungeert als tussenopslag. Ik heb inmiddels verschillende vluchtroutes uitgetekend en mocht het echt fout lopen, kan ik via het tuinhuis naar de buren.
Die weten dat nog niet. Details.
Mijn carrière als drankcrimineel heeft alleen één groot praktisch probleem: Ik mag het spul nog altijd niet opdrinken.
Ik kan dus een illegale voorraad Kasteelbier aanleggen, een smokkelroute organiseren, den Jos uit Borsbeek inschakelen en midden in de nacht een Buick laten voorrijden, maar uiteindelijk zit ik met een kelder vol bewijsmateriaal waar ik niks mee mag doen.
Misschien ga ik er 's avonds af en toe naar kijken. Lichtje aan in de kelder. Bak Kasteelbier onder een deken. Eentje eruit halen. Even vasthouden.
“Later, jongen.”
En weer terugzetten. Al Capone zou zich omdraaien in zijn graf.
Nou, het zal uiteindelijk wel alcoholvrij bier worden. Dat bestaat tegenwoordig in allerlei soorten en sommige schijnen zelfs drinkbaar te zijn. Ik ga dat met een open geest proberen. Desnoods giet ik het eerst over in een bruine fles en doe ik de gordijnen dicht.
Maar alcoholvrij Kasteelbier blijft voor mij toch een beetje klinken als een opblaasbare biefstuk. Het ziet er mogelijk overtuigend uit, maar ergens onderweg is er iets fundamenteels misgegaan.
En natuurlijk stelt het allemaal weinig voor. Dat weet ik ook wel. Als je met kanker rondloopt, zijn er grotere problemen dan een glas wijn of een Kasteelbier. Veel grotere zelfs. Ik ga heus niet bij mijn volgende consult binnenkomen en zeggen: “Dokter, die uitzaaiingen allemaal goed en wel, maar we moeten het dringend eens over mijn vrijdagavond hebben.”
Dat is dus het vervelende aan kanker. Het pakt zelden één groot ding af en zegt daarna beleefd: “Zo, Willy, voor de rest blijf ik overal af.” Nee. Het scharrelt wat rond. Een stukje conditie hier. Een goede nachtrust daar. Iets wat vroeger vanzelf ging. Nog een pilletje erbij. Een pleister. Een middagdutje omdat het lijf om twee uur vindt dat de werkdag erop zit.
En nu staat het dus ook aan mijn koelkast. “Dat daar nog.”
Geef maar hier.
Nou ja. Dan geven we dat ook maar.
Vrijdagavond komt de kaas gewoon op tafel. Mevr Willy haar drankje. Ik iets zonder alcohol. Wij twee.
De Drooglegging mag veel afpakken. Maar van mijn kaas blijft ze af. Daar trek ik de grens.
En mocht er binnenkort om drie uur 's nachts toch een zwarte Buick langzaam door Wommelgem rijden, met vier mannen in lange jassen en een verdachte bak achterin...
Niet uit het raam kijken. Gewoon de gordijnen dicht.
Niks gezien.
Mr Willy regelt dat wel.