De pijnstilling helpt.
Goh, dat mag na de afgelopen weken ook wel eens gezegd worden. Voor hoelang ze helpt, daar ga ik mij voorlopig niet over uitspreken. Ik heb de laatste tijd al een paar keer te vroeg de vlag uitgehangen en Ettertje blijkt een vervelend ventje dat graag wacht tot iedereen denkt dat hij weg is.
Maar er zijn weer uren dat ik nauwelijks pijn heb. Soms zelfs zo goed als geen.
Daar staat wel iets tegenover. Want de hoeveelheid rommel die er nodig is om dat voor elkaar te krijgen is niet bepaald kinderlimonade. Vooral de sufheid en slaperigheid zijn niet voor de poes. Als ik actief bezig ben valt het mee, maar zet mij vijf minuten stil in een stoel en de kans bestaat dat ge daarna eerst moet controleren of ik nog leef.
Met momenten voel ik mij een zombie. Een redelijk tevreden zombie, dat wel. Een zombie zonder veel pijn.
En Mr Willy zou Mr Willy niet zijn als hij daar uiteindelijk niet ergens een voordeel in ontdekte.
Gisteren schreef ik nog over de Drooglegging die mijn huisarts hier heeft afgekondigd. Geen wijn meer zolang ik met dat zware geschut tegen Ettertje bezig ben. Ik had het over Al Capone, smokkelroutes en clandestiene voorraden achter de yoghurt. Allemaal heel grappig natuurlijk.
Tot het vrijdag wordt.
Want al meer dan dertig jaar hebben Mevr Willy en ik op vrijdagavond onze tête-à-tête. Kaasjes op tafel. Wat hapjes erbij. En een fles wijn. Niet voor Mevr Willy trouwens. Die drinkt geen wijn. De fles is mijn afdeling en ik neem mijn verantwoordelijkheid daarin bijzonder ernstig.
En gisteravond stond die fles er dus voor het eerst niet. De Drooglegging was geen blog meer. Ze zat aan tafel.
Nu zou ik hier natuurlijk een heel verhaal kunnen ophangen over wijn. Over het verschil tussen een Pomerol en een Saint-Émilion. Over druivenrassen, aroma's van zwarte bessen, een toets van cederhout en een afdronk waarin ergens in de verte een Franse boer op een tractor voorbijrijdt.
Allemaal gelul. Ik drink graag wijn omdat er alcohol in zit.
Zo. Dat is eruit. Natuurlijk moet hij lekker zijn. Maar wat ik vooral heerlijk vind, is die roes. Die paar glazen alcohol die langzaam door uw lijf beginnen rond te zweven en daar de boel een beetje op stelten zetten. Niet stomdronken. Geen lampenkap op mijn hoofd en polonaise door de woonkamer.
Gewoon genoeg. De schouders zakken wat. De wereld wordt zachter aan de randen. Problemen die om zes uur nog dringend waren, blijken om acht uur uitstekend tot zaterdag te kunnen wachten.
Dat hoort bij mijn vrijdagavond.
En daar zat ik vanavond dus. Kaasjes op tafel. Hapjes. Mevr Willy. En een glas waar geen fatsoenlijke mens dronken van kan worden. Pffff....
Een ramp dus.
Maar nu was Ettertje vlak voor het eten weer nadrukkelijk tegen mijn barricade beginnen te beuken. En dus had ik nog een oxynorm genomen bovenop de gewone pijnstilling. De volledige inventaris ga ik hier niet meer opsommen. Wie mijn vorige blogs gelezen heeft, kan ondertussen waarschijnlijk zonder diploma als hulpapotheker beginnen.
En ergens tijdens het eten begon het weer te gebeuren. Mijn hoofd werd wollig. Mijn ogen zwaar. Mijn lijf zakte wat dieper in mijn stoel. De wereld werd zachter aan de randen.
Ik keek naar Mevr Willy.
Verdomme. Ik had een alternatief gevonden.
Geen Pomerol. Geen Saint-Émilion. Geen Merlot. Wel Oxynorm.
En ik moet zeggen: qua roes hoeft de Franse wijnindustrie niet onmiddellijk hooghartig te doen. Ik zat daar werkelijk zalig. De pijn bijna weg. Warm. Ontspannen. Een beetje zweverig. Als ik vijf minuten mijn ogen dichtdeed, was de kans groot dat ik pas zaterdag weer deelnam aan het gesprek.
Geen enkele fles wijn krijgt dat voor elkaar. Ik keek naar mijn alcoholvrije glas en begon mij zelfs af te vragen waarom ik al die jaren zoveel geld naar Frankrijk heb gestuurd. Blijkbaar had ik gewoon een voorschrift van de dokter nodig.
Maar toch: Er ontbrak iets aan tafel. Niet alleen die fles.
Want die fles stond daar vroeger omdat het vrijdag was. Omdat de kaasjes op tafel kwamen. Omdat Mevr Willy tegenover mij zat. Omdat wij dat al meer dan dertig jaar zo doen.
En omdat die roes er eentje was die ik zelf gekozen had. Kurk eruit. Glas inschenken. Nog eentje misschien. Of twee.
En wanneer de avond voorbij was, was ook de roes voorbij.
Deze had ik niet besteld. Die kwam mee met iets anders.
Maar goed. Het was vrijdag. De kaasjes stonden op tafel. Mevr Willy zat tegenover mij. Mijn glas was alcoholvrij.
En Mr Willy zat zo stoned als een garnaal naar zijn vrouw te glimlachen.
De traditie is gered.
Alleen de wijn ontbreekt.