Er was een tijd waarin de nacht nog echt donker was. Geen straatlantaarns achter de gordijnen, geen televisie die ergens nog stond te murmelen, geen telefoon die om halfdrie vond dat er dringend iets gemeld moest worden. Als de zon verdween, werd het donker en daarmee was de dag min of meer afgelopen.
Mensen kropen vroeg onder de wol, niet omdat ze verstandiger waren dan wij, maar omdat er na zonsondergang ook niet verschrikkelijk veel meer te beleven viel. Het vuur doofde langzaam uit, ergens kraakte nog een balk en onder een hoop dekens begon de eerste slaap. Want zo heette die. De eerste slaap.
Een paar uur later werd de man des huizes weer wakker. Misschien van die krakende balk, misschien omdat hij moest plassen en misschien gewoon omdat een mens nu eenmaal af en toe wakker wordt. Hij bleef even liggen, luisterde naar het donker en maakte zich daar verder niet druk over. Niemand had hem ooit verteld dat hij acht uur onafgebroken hoorde te slapen. Er was geen huisarts die bezorgd naar zijn slaaphygiëne vroeg, geen foldertje met tien tips voor een gezonde nachtrust en al helemaal geen horloge dat hem de volgende ochtend streng kwam melden dat hij slechts 63 procent herstellende slaap had gehad.
De man was wakker. Meer was er niet aan de hand.
Dus kroop hij uit bed, gooide wat hout op het vuur en ging zitten. Soms bad hij, soms dacht hij na over zijn dromen of over het veld dat morgen geploegd moest worden, soms praatte hij wat met zijn vrouw en er zijn zelfs oude verslagen waarin mensen tijdens die nachtelijke uren even bij de buren langsgingen. En volgens de historische bronnen werd er tussen de eerste en de tweede slaap ook behoorlijk wat gevreeën.
Kijk. Daar begon mijn belangstelling voor de geschiedenis ineens behoorlijk toe te nemen. Niet alles was vroeger slechter.
Na een uur of twee doofde het vuur opnieuw, kroop onze man weer onder de dekens en begon aan zijn tweede slaap. Eeuwenlang was daar blijkbaar weinig bijzonders aan. Tot wij licht uitvonden. En klokken. Fabrieken. Wekkers. Achturige werkdagen en achturige nachten. En uiteindelijk een hele industrie die ons ging vertellen hoe een fatsoenlijk mens hoort te slapen. Sindsdien heet onze middeleeuwse man geen normale slaper meer. Hij heeft een probleem.
Nou. Blijkt verdorie dat ik helemaal geen slechte slaper ben. Ik ben gewoon vierhonderd jaar te laat geboren.
Want vierhonderd jaar later wordt ergens in Wommelgem rond twee uur 's nachts opnieuw een man wakker. Mr Willy.
Ik weet niet of het een krakende balk is, maar waarschijnlijk niet, ons huis is nog niet zo oud. Soms is het pijn. Soms mijn blaas. Soms mijn hoofd dat blijkbaar vindt dat 02.17 uur een uitstekend moment is om over dingen te beginnen nadenken waar het om twee uur 's middags geen enkele belangstelling voor had. En soms word ik gewoon wakker omdat ik wakker word. Naast mij ligt Mevr Willy. Die slaapt. Zij heeft zich duidelijk beter aangepast aan de moderne beschaving.
Ik blijf nog wat liggen, draai eens naar links, naar rechts, kijk nog eens op de klok en probeer vooral niet te denken aan het feit dat ik niet moet denken. Dat werkt uitstekend. Binnen vijf minuten lig ik intensief na te denken over het feit dat ik nog altijd lig na te denken. Vroeger kon ik mij daar behoorlijk in opjagen. Tegenwoordig niet meer. Ik kruip uit bed en schuifel door het donkere huis. Die man van vierhonderd jaar geleden gooide een blok hout op het vuur. Ik druk op een knop. Brrrrrrrrrrrrr. Mijn cappuccinoapparaat heeft weinig respect voor historische sfeer.
Even later zit ik achter mijn computer. Het huis slaapt, Mevr Willy slaapt, Wommelgem slaapt en waarschijnlijk slaapt ongeveer heel België, op een paar bakkers, verpleegkundigen, vrachtwagenchauffeurs en andere sukkelaars na.
Voor mij staat een cappuccino, voor mij brandt een scherm en verder hoeft er even niks.
Dat is misschien het bijzondere van die uren. Overdag moet er altijd iets. Opstaan, eten, pillen, telefoon, boodschap, afspraak, nog een pil, dokter, ziekenhuis, iemand die vraagt hoe het gaat, waarna je automatisch zegt dat het wel gaat omdat je geen zin hebt om een halfuur uit te leggen hoe het werkelijk gaat.
's Nachts hoeft dat allemaal niet. 's Nachts gaat het met niemand. Iedereen is weg. Zelfs kanker zou op zo'n uur fatsoenshalve zijn bek moeten houden. Doet hij niet natuurlijk. Mijn kanker heeft nooit veel respect gehad voor kantooruren. Soms zit dat rode ettertje er ook, ergens in mijn rug te zeuren. Dan neem ik iets uit mijn inmiddels behoorlijk uitgebreide farmaceutische snoepwinkel en wacht tot hij weer wat stiller wordt. Maar zelfs kanker voelt 's nachts anders. Niet kleiner, helaas. Was het maar waar. Er praat alleen niemand over. Geen PSA, geen scan, geen volgende behandeling, geen prognose en geen goedbedoelde raad. Hij zit daar. Ik zit hier. En zolang hij van mijn cappuccino afblijft, tolereren we elkaar.
En dan begin ik soms te schrijven. Niet omdat ik om drie uur 's nachts betere dingen schrijf. Dat zou een ernstige overschatting zijn van zowel mijzelf als drie uur 's nachts. Ik heb de volgende ochtend al dingen teruggelezen waarbij ik ernstig vermoedde dat Aldi iets anders dan koffie in die capsules had gestopt. Maar soms komt er een zin. Gewoon eentje. En daar kruipt een tweede achteraan. Voor ik het weet loopt er een sneeuwpop door Brussel, wil een tandenborstel carrière maken of zit ik alweer over kanker te schrijven terwijl ik mij plechtig had voorgenomen dat nu eens niet te doen. Soms komt iemand voorbij die er niet meer is. Soms een herinnering waarvan ik niet wist dat ik ze nog had. En soms gebeurt er helemaal niks. Dan zit ik gewoon wat te lezen, wat te prutsen en mijn cappuccino koud te laten worden.
Ook goed. Historicus Roger Ekirch vond honderden oude verwijzingen naar die uren tussen de eerste en de tweede slaap, in dagboeken, rechtbankverslagen, medische teksten en literatuur. Het was ooit zo gewoon dat niemand het nodig vond er veel uitleg bij te geven. De Fransen hadden er zelfs een woord voor: dorveille. Slapen en waken tegelijk.
Sinds ik dat weet, zie ik hem soms zitten, die man van vierhonderd jaar geleden. Niet echt natuurlijk, zo ver is het gelukkig nog niet gekomen. Hij zit bij zijn vuur en ik bij mijn computer. Hij heeft misschien een houten beker naast zich staan, ik mijn cappuccino. Buiten zijn huis is het donker, buiten het mijne ook. Hij denkt aan de oogst, zijn kinderen, aan een koe die ziek is, aan iemand die hij mist of misschien gewoon aan helemaal niks. Ik schrijf een blog. Vier eeuwen tussen ons en toch zitten we daar allebei in dat vreemde niemandsland tussen slapen en wakker zijn, terwijl de rest van de wereld zijn mond houdt.
Alleen kijkt hij na een tijdje misschien naar zijn vrouw. Ik kijk naar mijn cappuccino. De geschiedenis kan soms behoorlijk schuren. Want ja, volgens diezelfde historische bronnen behoorde vrijen dus tot de aanbevolen bezigheden tussen de eerste en de tweede slaap. Ik heb dat gedeelte uit historisch-wetenschappelijke belangstelling uiteraard bijzonder grondig bestudeerd. Maar ergens tussen die middeleeuwse slaapkamer en de mijne zijn er een prostaat, een kanker, een operatie, jaren hormoontherapie en nog wat andere medische vrolijkheid tussen gekomen. Laat ons zeggen dat niet alle gebruiken uit de middeleeuwen even gemakkelijk opnieuw ingevoerd kunnen worden.
Dus die vent heeft zijn vrouw. Ik heb mijn cappuccino. Hij heeft dan weer geen wifi. Ge kunt niet alles hebben.
Tegen vier uur, halfvijf wordt mijn hoofd meestal weer zwaar. Soms staat er dan een halve blog op mijn scherm, soms drie regels en soms helemaal niks. Computer uit, leeg kopje naar de keuken en door het donkere huis terug naar de slaapkamer. Heel voorzichtig onder de dekens. Mevr Willy beweegt even en ik lig stil.
En ergens, vierhonderd jaar geleden, legt die andere man nog een laatste stuk hout op het vuur. Misschien kijkt hij nog even naar de vrouw naast hem. Misschien zij naar hem. Misschien gebeurt er nog iets waar Roger Ekirch eeuwen later met wetenschappelijke belangstelling over zal schrijven.
Bij ons blijft het rustig. Ik trek de dekens wat hoger en heel even liggen daar twee mannen, vierhonderd jaar van elkaar verwijderd, allebei opnieuw in het donker. De ene met de geur van een uitdovend houtvuur nog in zijn kleren, de andere met cappuccino in zijn adem. Zijn nacht was niet onderbroken. De mijne blijkbaar ook niet. We waren alleen even wakker tussen twee slapen.
En eigenlijk vind ik dat wel een geruststellende gedachte. Niet dat ik voortaan iedere nacht om twee uur juichend uit bed zal springen omdat ik eindelijk weer historisch verantwoord wakker ben. Zo gek is Mr Willy nu ook weer niet. Maar misschien hoeft ieder wakker uur ook niet onmiddellijk gerepareerd te worden. Misschien mag een mens soms gewoon in dat vreemde stille stukje van de nacht gaan zitten en kijken wat er langskomt. Een gedachte. Een herinnering. Een vloek. Een blog. Een ettertje in zijn rug. Of helemaal niks.
De man van vierhonderd jaar geleden had zijn houtvuur. Ik heb mijn cappuccino en mijn computer.
En voor dat andere...
Pfff.
Daar schrijf ik dan maar wat over.