Jarenlang had bijna niemand van hun bestaan geweten. Diep onder de bergen, achter muren waar alleen alchemisten en heelmeesters toegang hadden, werkte een kleine orde in het grootste geheim. Geen ridders met blinkende harnassen en geen legers die bij zonsopgang over de heuvels marcheerden. Ze hielden zich bezig met vuur. Rood vuur, gewonnen uit een oude vrucht uit verre, hete landen, zo gemeen dat één beet voldoende was om zelfs een geharde krijger naar de waterput te laten rennen. Ze trokken dat vuur uit de vrucht, zuiverden het, maakten het sterker en brachten het uiteindelijk onder in duizenden kleine strijders die ze Capsaïciërs noemden. Kleine rode Ettertjes, heetgebakerd, venijnig en dol op branden, prikken en steken. Alleen met één belangrijk verschil: deze stonden aan onze kant. Samen vormden zij de Orde van de Rode Peper. Jarenlang hadden ze in stilte geoefend en gewacht op de dag waarop ergens in het rijk een vijand zou opstaan waarvoor de gewone wapens niet meer volstonden.
Die dag was inmiddels aardig dichtbij gekomen. Want in het rijk van Mr Willy werd al lang niet meer op één front gevochten. Rond T4 en T5 hielden de muren nog altijd stand, maar de troepen waren moe. Het voetvolk had ontelbare wachten gelopen, fentanyl bewaakte dag en nacht de wallen en de oxycodoncavalerie was zo dikwijls uitgereden dat de paarden nauwelijks nog rust kregen. Pregabaline was naar de zenuwgangen gestuurd en ook daar waren de manschappen inmiddels verdubbeld. Met al dat geweld lukte het nog net om Ettertje op enige afstand te houden, maar van een overwinning was al lang geen sprake meer.
En toen kwam er ook nog onrust uit het westen. Daar lag de Linker Boezemgouw, een vroeger rustig gebied rond de oude Tepelpoort. De seinwachters daar hadden ooit één eenvoudige taak gehad: alarm slaan wanneer er werkelijk gevaar dreigde. Maar na maanden oorlog waren ze hun bevelen kwijtgeraakt. Eerst sloegen ze alarm bij het minste gerucht, daarna ook wanneer er helemaal niets gebeurde. Brand. Steek. Prik. Gevaar... Dag en nacht gingen de seinen uit, terwijl er buiten de muren geen vijand, geen wond en geen rook te zien was.
Pregabaline werd gestuurd om hen tot bedaren te brengen. Amitriptyline werd langs de buitenmuren ingezet. Het hielp nauwelijks. De seinwachters bleven krijsen en rond de Tepelpoort was zelfs de lichtste aanraking voldoende om opnieuw alle alarmklokken te laten luiden.
Toen kwam uit het Huis der Heelmeesters eindelijk het bevel waarop de oude Orde al die jaren had gewacht. De Capsaïciërs mochten uitrukken. Hun opdracht was eenvoudig: de Linker Boezemgouw binnentrekken, de opstandige seinwachters opzoeken en hun posten zo hard bestoken dat ze daarna hopelijk eindelijk weer zouden zwijgen. Niet vernietigen. Gewoon murw slaan. Duizenden kleine rode strijders werden daarvoor samengebracht op één groot strijdvaandel. Dicht opeengepakt, klaar om in één beweging boven het onrustige gebied te worden neergelaten.
En zo begon vandaag de veldtocht van de Orde van de Rode Peper. In het Huis der Heelmeesters werd eerst de kaart van de Boezemgouw uitgerold. De zwaarste onrust lag rond de Tepelpoort en iets daaronder, waar de seinwachters ondertussen bijna permanent op hun torens stonden. De grenzen werden nauwkeurig afgetekend en daarna werd het grote strijdvaandel over het gebied neergelaten.
Aanvankelijk gebeurde er weinig. Een beetje warmte. Een prik. Nog eentje. Maar al snel begonnen de eerste seinposten te reageren. Toren één gaf alarm. Toren twee antwoordde. Even later luidden de klokken langs bijna de hele westelijke grens. De Capsaïciërs waren binnen. Ze trokken door de wachtgangen, bestormden de seinposten en gooiden hun rode vuur tegen alles wat al weken veel te snel alarm sloeg. De seinwachters vochten terug met de enige wapens die ze kenden: branden, steken, prikken en nog meer pijnberichten naar het hoofdkwartier sturen.
Alleen werd er ditmaal niet teruggetrokken. Ditmaal was de pijn geen teken dat de aanval mislukte. Ditmaal wás de pijn de aanval.
De strijd duurde voort tot de heelmeesters vonden dat de Capsaïciërs hun werk hadden gedaan. Toen werd het vaandel weer opgehaald. Geen ingestorte torens. Geen rookpluimen. Geen gesneuvelde wachters voor de Tepelpoort. Alleen een vreemd soort stilte over het gebied.
Voorlopig toch.
Want niemand weet nog of de seinwachters werkelijk verslagen zijn. Misschien liggen ze ergens achter hun muren hun wonden te likken. Misschien staan ze morgen alweer op hun torens. Misschien blijven ze stil. De Capsaïciërs hebben hun aanval uitgevoerd. Nu rest alleen wachten.
Buiten de Linker Boezemgouw gaat de grote oorlog intussen gewoon verder. Rond T4 en T5 zit Ettertje nog altijd aan de muren. De verdediging is de voorbije dagen grondig versterkt. Meer oxycodon, meer pregabaline, OxyNorm mag veel sneller uitrukken en ook dexamethason is als nieuw geschut aan het arsenaal toegevoegd. Het kost steeds meer manschappen, maar voorlopig houden de muren.
Alleen weten de heelmeesters en Mr Willy ondertussen ook dat ge met verdedigen alleen geen oorlog wint. Daarom worden elders, in afgesloten kamers, opnieuw kaarten uitgerold. Oude en nieuwe wapens worden bekeken, sommige nog achter dikke deuren en alleen inzetbaar wanneer het opperbevel toestemming geeft.
Daar vallen namen. Radium. Cabazitaxel. Lutetium.
Wapens voor een andere fase van de oorlog. Niet voor vandaag, misschien zelfs niet voor morgen, maar ze liggen wel op tafel. Eerst moet bekeken worden hoeveel terrein Ettertje werkelijk heeft ingenomen, welke legers nog bruikbaar zijn en welke oude troepen eerst het slagveld moeten verlaten.
En zo heerst er momenteel een merkwaardige toestand in het rijk. Aan de westelijke grens wachten we af of de seinwachters van de Linker Boezemgouw opnieuw hun klokken luiden. Rond T4 en T5 houden de versterkte troepen Ettertje zo goed en zo kwaad als het kan buiten de muren. En ergens verderop zitten de heelmeesters en het oncologische opperbevel gebogen over kaarten waarop inmiddels heel andere wapens zijn bijgeschreven.
Vandaag werd alvast één ander front geopend.
De Orde van de Rode Peper heeft haar werk gedaan.
Nu wachten we af wie er morgen nog op zijn toren staat.