Als rechtgeaarde Belg had Mr Willy het in zijn beginperiode op het kankerforum, tussen al die Nederlanders, knap moeilijk.
Niet met de kanker. Dat viel nog mee. Ge krijgt prostaatkanker en voor ge het weet spreekt ge vloeiend oncologisch. PSA, MRI, CT, PET, Gleason, ADT, RALP, SBRT… na drie maanden kunt ge een gesprek voeren waar een normaal mens halverwege de hulpdiensten voor belt.
“Mijn PSA stijgt na RALP, dus misschien eerst PSMA-PET en daarna SBRT.”
Iedereen knikt. Geen probleem. Maar dan schreef een Nederlander: “Ik heb vandaag 10 kilometer gelopen.”
Vijf kilometer? Tijdens chemo? Jezus. Ik was toen al blij wanneer ik zonder tussenstop van mijn zetel tot aan de wc geraakte.
Bleek die mens gewoon gewandeld te hebben.
In mijn Vlaamse oren klinkt “vijf kilometer lopen” toch al snel alsof ge daar in sportbroek en met de tong uit de mond aan begonnen zijt. Nederlanders gebruiken lopen veel gemakkelijker voor gewoon te voet gaan. Willen ze echt snelheid maken, dan gaan ze hardlopen.
We spreken dezelfde taal. Ze zeggen het alleen anders. Nog erger werd het toen iemand na zijn chemo schreef: “Ik heb de hele dag op de bank gelegen.”
Ook zoiets raars Bij ons krijgt ge op een bank hoogstens een lening. En zelfs daarvoor moet ge tegenwoordig eerst online een afspraak maken.
Maar Nederlanders kunnen er blijkbaar uren op liggen. Met een dekentje. Bleek dus een zetel.
En zo begin je stilaan een woordenboek nodig te hebben stilaan een woordenboekje nodig te hebben.
Bank = zetel.
Handig op een kankerforum, want daar ligt voortdurend iemand op.
Even later kwam de magnetron.
Magnetron.
Ik zat toen nog volop in mijn opleiding tot kankerlijer en bij woorden die eindigen op -tron denk ik automatisch aan een toestel van vier miljoen euro waar ge in uw onderbroek onder moet gaan liggen.
“Mijn eten staat in de magnetron.”
Ik zag onmiddellijk een verpleegkundige voor mij. “Niet bewegen, meneer. De laserlijntjes moeten nog gelijk staan.”
Bleek dus een microgolfoven. Zij zetten hun soep in een magnetron. Wij onze lasagne in de microgolf.
En toch kijken ze soms naar óns alsof wij de taal verkrachten.
Trouiwens, over verkrachten gesproken. Je hebt dan het woord dan hebt poepen.
In Nederland doet ge dat op het toilet. Of ge probeert toch.“Sinds de chemo kan ik niet meer poepen.”
In Vlaanderen niet. En op dat kankerforum denkt Mr willy , met z'n CRPC dan gewoon : ja vriend, welkom bij de club.
Dan komt de pinpas. “Ik kan mijn pinpas niet vinden.”
Ik dacht aan een toegangspasje voor het ziekenhuis. Of iets waarmee ge chemo kon afhalen.
Nee.
Bankkaart.
Waarom zeggen ze dan geen bankkaart? Omdat ze hun bank nodig hebben om op te liggen, vermoed ik.
En toen kwam de tosti. Ik zweer het u, als ge pas kanker hebt en ge leest op een forum dat iemand na zijn derde chemokuur eindelijk weer zin had in een tosti, dan sluit ge niet onmiddellijk uit dat Tosti een nieuw middel tegen misselijkheid is.
“Hoeveel Tosti neemt gij?”
“Twee.”
“Per dag?”
“Nee, met kaas en ham.”
Croque-monsieur dus. Zeg dat dan.
Nou mogen wij Vlamingen trouwens niet te hoog van de toren blazen. Wij eten een croque-monsieur, zetten de chauffage wat hoger, gaan in de living in onze zetel zitten en zeggen merci als iemand ons koffie brengt.
Vier woorden Nederlands en half Frankrijk is binnengevallen.
Maar wij hebben wij nog ons “ça va”.
Dat is bijzonder handig wanneer ge kanker hebt.
“Hoe gaat het?”
“Ça va.”
Meer hoeft een Belg niet te zeggen. Uw PSA kan gestegen zijn, ge kunt gisteren slecht nieuws hebben gekregen, drie uur wakker hebben gelegen van de pijn en vanmorgen te horen hebben gekregen dat ge weer onder een of andere scanner moet.
“En voor de rest?”
“Goh… ça va.”
Een Nederlander wil daar soms nog op doorgaan. “Maar hoe gaat het écht met je?”
Ho. Kalm. Ik heb ça va gezegd. Het medisch dossier krijgt ge er niet gratis bij.
Ook aan die Nederlandse directheid moest ik wennen. Of misschien is dat vooral het cliché dat wij Belgen graag over hen koesteren, maar ik heb toch geregeld gedacht: ja, die zegt het tenminste gewoon. “Daar ben ik het niet mee eens.”
Een Vlaming neemt liever eerst een lange aanloop. “Ik weet natuurlijk niet of ik u helemaal juist begrijp en het kan uiteraard ook aan mij liggen, maar persoonlijk zou ik het misschien toch enigszins anders durven bekijken.”
Betekenis: Wat een gezever.
Op een kankerforum kan zo’n Vlaamse zin gemakkelijk een halve dag duren. Tegen dat ge bij “enigszins” zijt, heeft de andere zijn volgende CT-scan al gehad.
Maar stilaan begon ik Nederlands te leren. Echt Nederlands bedoel ik. Niet het eenvoudige Nederlands dat wij in België spreken.
Ik leerde “joh”. “Joh, maak je niet druk.”
Ik heb de eerste weken voortdurend gezocht wie Joh was. Blijkbaar niemand.
Dan “nou”.
Nou ja. Nou nee. Nou zeg. Nou goed.
Nou moe.
Bij die laatste verwacht ik nog altijd dat er ergens een moeder uit de keuken komt.
En net toen ik dacht dat ik de taal min of meer beheerste, ontdekte ik dat sommige Nederlandse studenten en jongeren nog een taal bí́nnen het Nederlands hebben.
Bitterballen worden biba’s. Een espresso-martini wordt een esma. Gezellig samen lunchen wordt gesalu. En “klap die laptop dicht” wordt werkelijk kladiladi.
Dat laatste verzin ik niet.
Kladiladi.
Ik moet toegeven: wij kankerlijers hebben weinig recht van spreken.
PSA, CT, MRI, PET. ADT, SBRT, PSMA.
Na een tijdje ziet uw medisch dossier eruit alsof iemand met een slecht humeur Scrabble heeft gespeeld. En tegen dat ge een halfjaar kanker hebt, kunt ge zonder verpinken zeggen: “Mijn PSA stijgt ondanks ADT, dus eerst een PSMA-PET en misschien daarna SBRT.” Een buitenstaander belt ondertussen het antigifcentrum.
Misschien moeten wij gewoon nóg een stap verder gaan. Op z’n Nederlands.
Prostaatkanker wordt dan proka. Doorbraakmedicatie doorme. Een PET-scan pettie. Palliatieve zorgen pazo.
Voor alle duidelijkheid: Die woorden bestaan niet. Nog niet. Maar geef ons tijd.
“En dokter?”
“Uw proka blijft voorlopig stabiel. Neem zo nodig uw doorme en volgende maand doen we nog een pettie.”
“Klinkt goed.”
“Daarna kladiladi.”
Kijk. Zo wordt kanker tenminste overzichtelijk. Ik zie het al voor mij in mijn medisch dossier.
Beleid: voorlopig kladiladi. Over drie maanden controle.
Geen oncoloog die durft toe te geven dat hij niet weet wat het betekent. Die schrijft dat gewoon over.
Inmiddels zit ik al jaren tussen de Nederlanders en begrijp ik ze behoorlijk goed.
En zij leren ondertussen ook een beetje Vlaams.
Amaai, goesting, plezant. zetel.
En natuurlijk het belangrijkste woord uit onze taal:
Allee.
Allee kan zowat alles betekenen.
“Allee!” als ge verbaasd zijt.
“Allee jong!” als iemand onnozel doet.
“Allee vooruit” als ge eindelijk vertrekt.
“Allee zeg” als ge het niet kunt geloven.
En aan het einde: “Allee, salu hè.”
Een volledig gesprek waarvoor een Nederlander minstens drie keer “nou” nodig heeft. Uiteindelijk spreken we dus toch ongeveer dezelfde taal.
Op een kankerforum helpt dat.
De ene ligt na zijn chemo op de bank, de andere in zijn zetel.
De ene warmt zijn soep op in de magnetron, de andere in de microgolf.
De ene gaat vijf kilometer lopen en ik denk dat hij aan het trainen is voor de marathon.
En ondertussen wachten we allemaal op dezelfde bloeduitslagen, dezelfde scans en hetzelfde verdomde telefoontje van dezelfde dokter.
“En? Hoe gaat het?”
Nou…
Ça va.