Gisteren las ik in de krant over Christa Pike, een moordenares die dertig jaar op haar executie heeft gewacht.
Dertig jaar. Das lang. Langer dan sommige huwelijken, langer dan de gemiddelde diepvriezer en ongeveer drie keer zo lang als ge tegenwoordig op een nieuwe keuken garantie krijgt.
En dan is eindelijk de grote dag daar. Alles geregeld. Gevangenis klaar. Getuigen aanwezig. Hooggerechtshof akkoord. Dodelijke injectie.
En die werkt niet.
Nou, knap vervelend toch. Niet alleen voor Christa Pike. Ook organisatorisch. Want na dertig jaar voorbereiding zou ge toch verwachten dat iemand ergens eens gevraagd heeft: “En wat doen we als ze niet doodgaat?”
Blijkbaar was het antwoord: “Dan geven we nog wat.”
Dat deden ze dus. Tweede dosis. Christa bleef leven.
En toen was het protocol ongeveer op.
Pfff... kunt ge dat nu snappen. Wanneer ik bij IKEA een kast koop van 89 euro krijg ik een handleiding van 46 bladzijden. Met tekeningen waarop zelfs wordt uitgelegd dat ge de kast beter niet ondersteboven tegen de muur vijst. Maar een overheid die dertig jaar tijd heeft gehad om één vrouw officieel dood te maken, komt blijkbaar tot:
Stap 1: spuit erin.
Stap 2: indien nog levend, nog een spuit erin.
Stap 3: …
Ge ziet ze daar al staan. Een kamer vol gevangenispersoneel, dokters, bewakers en hoge functionarissen. Allemaal kijkend naar Christa. Christa ligt te snurken.
Iemand bladert nog eens door het mapje.
Pagina zeven? Nee.
Bijlage drie misschien? Ook niet.
Hebt gij de achterkant bekeken? Blanco.
Goh, en dan wordt ge als kankerlijer natuurlijk wat achterdochtig. Euthanasie is hier iets helemaal anders. Vrijwillig, zorgvuldig, medisch begeleid en pas na een hele procedure. Daar wil ik ook niet mee lachen.
Maar sinds Christa Pike heb ik toch één bijkomende vraag.
Zit daar garantie op?
Niet omdat ik plannen heb voor volgende donderdag om kwart over drie. Maar ge zijt 73, ge hebt uitgezaaide prostaatkanker en ondertussen hebt ge al genoeg ziekenhuizen van binnen gezien om te weten dat zelfs daar soms een printer vastloopt.
Dus stel. Ooit komt die dag. Alles geregeld. Papieren getekend. Dokter aanwezig. Mevr Willy naast het bed. Misschien nog één laatste cappuccino, alhoewel ik vermoed dat ge tegen dan niet meer moet vragen of hij cafeïnevrij is.
De dokter dient het middel toe. Iedereen wacht.
Vijf minuten later doe ik één oog open. “En?”
Dokter kijkt op zijn horloge. “Geef het nog een beetje tijd, Willy.”
Tien minuten. “En nu?”
“Nog niet helemaal.”
Een kwartier later zit ik rechtop. “Zeg dokter, ik wil niet ambetant doen, maar ik had voor vandaag eigenlijk niks meer gepland hoor.”
Dan wil ik dus weten wat er in België bij stap drie staat. Want sinds Tennessee vertrouw ik niet meer op procedures die eindigen bij dosis twee.
Ik wil een degelijk noodplan. Niet noodzakelijk voor mij. Voor Mevr Willy. Die heeft al genoeg aan haar hoofd zonder dat ze om halfvier 's nachts naar de huisarts moet bellen:
“Dokter? Ge zijt daar vanmiddag geweest voor onze Willy.”
“Ja?”
“Hij is er nog.”
“Hoe bedoelt u?”
“Wel… hij zit achter zijn computer.”
En ik hoor mezelf op de achtergrond waarschijnlijk nog roepen: “Vraag ineens of ik morgen nuchter moet zijn!”
Ik zou trouwens vooraf duidelijke garantievoorwaarden willen. Bij een broodrooster hebt ge twee jaar. Bij een wasmachine soms vijf. Bij een auto zeven. Christa Pike had dertig jaar voorbereidingstijd en zelfs daar bleek geen garantie op te zitten.
Dus waarom zou er bij euthanasie geen garantieformule bestaan: niet tevreden, geld terug.
Al is dat hier natuurlijk wat lastig. Vooral administratief.
Wie moet het terugvragen? Ik? Mevr Willy? De erfgenamen?
En op welke rekening storten ze het wanneer de rekeninghouder volgens hun administratie sinds dinsdag overleden is maar woensdagmorgen wel gewoon met zijn bankkaart bij de bakker staat?
“Uw kaart wordt geweigerd, meneer.”
“Waarom?”
“U bent dood.”
“Dat is toch al van gisteren.”
“Volgens Belfius niet.”
Daar komen vodden van.
En ge weet hoe dat gaat met computers. Uw overlijden staat binnen drie minuten in zeven databanken, maar om het er weer uit te krijgen moet ge persoonlijk langskomen met uw identiteitskaart en een bewijs dat ge nog leeft. Waarschijnlijk af te halen op het gemeentehuis. Tijdens de openingsuren. Dinsdag van 9 tot 11. Na afspraak.
Ik zou dus op voorhand wat dingen vastleggen. Als ik na tien minuten nog om cappuccino vraag: procedure controleren. Als ik na twintig minuten vraag waar mijn bril ligt: dokter waarschuwen. Als ik na een halfuur begin te zagen dat mijn computer nog aanstaat: niet naar huis gaan.
En vooral niet zeggen: “We hebben het protocol volledig gevolgd.”
Dat zeiden ze in Tennessee namelijk ook. Dat is tegenwoordig blijkbaar de officiële manier om te zeggen dat alles perfect verlopen is, behalve het gedeelte waarvoor ge gekomen waart.
Christa Pike werd uiteindelijk met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Dat is ook zoiets. Dertig jaar wachten om doodgemaakt te worden en een paar uur later voeren ze u naar het ziekenhuis om u in leven te houden.
Ik vermoed dat zelfs de Amerikaanse ziekteverzekering daar geen juiste code voor heeft.
Reden van opname: Probleempje na executie.
En ergens achter een bureau verschijnt dan waarschijnlijk een rood vakje:
ONGELDIGE INVOER. PATIËNT KAN NIET TEGELIJK DOOD EN LEVEND ZIJN.
Waarop iemand in Tennessee mompelt: “Ge moest eens weten.”
Goh, als ’t ooit zover komt, heb ik eigenlijk maar één vraag:
“Moet ik m’n wekker nog zetten, of mag ik morgen uitslapen?”