Grootva Willy werkte als hovenier op het landgoed van een barones. Mijn grootouders woonden daar in een klein boerenhuisje, ergens tussen de bossen en de grote villa.
Trouwe lezers weten dat ik daar mijn mooiste kinderjaren heb doorgebracht. Voor een stadsjongetje dat thuis niet eens een tuin had, was het een paradijs. Ik kon er ravotten zoveel ik wilde, hutten bouwen, door de bossen zwerven en allerlei dingen uitspoken waar grootva vermoedelijk minder gelukkig mee was.
Maar zolang ik niet te veel schade aanrichtte in de tuin van de barones, viel dat allemaal nogal mee. Fantasie genoeg. Achter iedere boom kon een indiaan zitten, ergens in het struikgewas lag misschien een verborgen schat en op sommige dagen was ik de baas van het hele domein. De barones wist dat niet, uiteraard. Die dacht waarschijnlijk dat alles van haar was.
En ondertussen werd ons op school en in de boeken verteld wat er ons tegen het jaar 2000 allemaal te wachten stond. Jongens toch, dat ging wat worden. We zouden in vliegende auto's rondtoeren, robots zouden het huishouden doen, de maan zou een vakantiebestemming worden en de wetenschap zou ondertussen wel zo ongeveer alle ziekten hebben uitgeroeid.
Fantastisch toch. Vooral die vliegende auto's. Stel u voor dat ik daarmee over het domein van de barones had kunnen vliegen. Geen omwegen meer langs de paadjes, geen braamstruiken en geen grootva die kwam kijken wat ik alweer aan het uitspoken was. Gewoon opstijgen en gaan waar ge zin in had. Al zou dat waarschijnlijk niet lang geduurd hebben. Als ik ergens tussen de rozenstruiken van de barones geland was, had grootva mij vermoedelijk eigenhandig terug de lucht in geschopt.
En dan die robots. Een metalen meid die de afwas deed, de patatten schilde, het huis poetste en misschien ook nog eens mijn schoenen proper maakte wanneer ik weer eens uit het bos kwam. Grootmoe zou nogal tevreden geweest zijn. Enfin, denk ik toch.
Het enige wat we moesten doen, was wachten tot het jaar 2000.
En wachten hebben we gedaan. Eerst nog wat schoollopen, dan gaan werken, trouwen, kinderen krijgen, een huis kopen, een zaak uitbouwen en een hele hoop andere dingen die blijkbaar ook bij het leven hoorden.
En voor ge het wist, was het jaar 2000 daar. Nou, en nu? Geen vliegende auto's. Geen vakantiehuisjes op de maan. En de afwas stond nog altijd op het aanrecht. Eigenlijk een behoorlijke tegenvaller. Maar geen nood. De geleerden waren nog volop bezig. Tegen 2020 zou alles wel in orde komen.
Ondertussen zijn we in 2026 beland. Ik ben drieënzeventig en warempel, daar is eindelijk mijn vliegende auto. Elon Musk heeft onlangs een Tesla voorgesteld die inderdaad van de grond komt. Niet dat ge er al gezellig mee naar de bakker kunt vliegen. Voorlopig blijft het bij wat spectaculaire sprongen en kunstjes, en het ding staat nog volop in zijn kinderschoenen. En wat het moet kosten, is blijkbaar nog niet helemaal duidelijk, maar goedkoop zal het zeker niet zijn. Er worden bedragen genoemd waar ge een behoorlijk huis voor kunt kopen.
Niks voor Mr Willy dus, die bij de kringwinkel al begint te twijfelen wanneer ze vijf euro vragen voor iets wat vroeger drie euro kostte.
En eigenlijk hoef ik zo'n vliegende auto ook niet meer. Als ge ziet welke halve garen er tegenwoordig op onze wegen rondrijden, moet ge er niet aan denken dat diezelfde sukkelaars ook nog eens boven uw hoofd mogen vliegen. Dan kunt ge rustig in uw tuin zitten en plots een Volkswagen op uw kop krijgen. Krijg dat maar eens aan uw verzekeringsmaatschappij uitgelegd.
En wat die huishoudrobots betreft, daar zijn we ook al niet veel verder mee gekomen. Ge kunt tegenwoordig een robotstofzuiger kopen. Zo'n rond ding dat door de kamer sukkelt, tegen de meubels botst en uiteindelijk ergens onder de zetel vastloopt. Waarna ge op uw knieën moogt kruipen om hem te bevrijden.
Dat noemen ze dus vooruitgang. Maar eerlijk is eerlijk, er zijn ook dingen uitgevonden waarvan ik als klein manneke nooit had durven dromen. Neem nu mijn smartphone. Een klein toestelletje waarmee ik kan telefoneren, foto's maken, de krant lezen en zowat alle kennis van de wereld raadplegen. Ik kan er zelfs mee discussiëren over de ingewikkeldste wetenschappelijke problemen. Al verkoopt dat ding af en toe ook behoorlijk wat onzin.
En dat zit allemaal gewoon in mijn broekzak. Als ik dat vroeger aan grootva had laten zien, had die vermoedelijk eerst gevraagd hoeveel het kostte en daarna of ik niet beter wat hielp in de tuin.
En ondertussen kan diezelfde technologie ook boeken schrijven, schilderijen maken en muziek componeren. Allemaal prachtig.
Alleen moet ik mijn eigen afwas nog altijd doen. En wanneer Windows weer eens kuren krijgt, moet ik nog altijd zelf zitten uitvissen waarom dat verdomde ding niet doet wat ik vraag. Soms met de hulp van ChatGPT, die mij dan bijzonder deskundig uitlegt welke knop ik moet indrukken, waarna er doorgaans nog wat meer fout loopt.
Ook in de ruimtevaart hebben ze niet stilgezeten. We hebben mensen op de maan gezet, robots op Mars laten rondrijden en ruimtetuigen naar de verste uithoeken van ons zonnestelsel gestuurd.
Maar een weekendje op de maan, met zicht op de aarde en een restaurantje waar ge voor een fatsoenlijke prijs iets kunt eten, zit er voorlopig nog niet in.
En dan die andere grote belofte van vroeger. Dat de wetenschap ons uiteindelijk van zowat alle ziekten zou verlossen. Daar zit ik tegenwoordig nogal dicht met mijn neus op.
Want kanker, daar zouden ze tegen het jaar 2020 toch wel iets op gevonden hebben, zeker?
Er is natuurlijk enorm veel vooruitgang geboekt. Er bestaan behandelingen waarvan men vroeger niet eens durfde dromen, en zonder die behandelingen zat ik hier waarschijnlijk allang niet meer achter mijn computer.
Mijn prostaat is eruit, ik heb zes chemokuren gehad, hormonen, bestralingen en nog een hele reeks andere medische cadeautjes. Als er ergens een dokter met een nieuwe machine op de proppen komt, is de kans behoorlijk groot dat ik er vroeg of laat onder terechtkom.
En toch zit Ettertje nog altijd in mijn skelet. Die heeft zich blijkbaar nooit iets aangetrokken van al die prachtige voorspellingen. Om hem een beetje in toom te houden, slik ik tegenwoordig een hoeveelheid pillen waar een doorsnee apotheker behoorlijk gelukkig van zou worden. Daarbij nog wat fentanyl en oxycodon, zodat de pijn min of meer draaglijk blijft, maar mijn hersenen af en toe besluiten om er een halve dag tussenuit te knijpen.
Daar hebben ze vroeger ook niets over verteld. En ondertussen blijven die wetenschappers maar nieuwe dingen ontdekken. Iedere week lees ik wel ergens over een veelbelovend geneesmiddel, een nieuwe behandeling of een techniek waarmee ze weer wat dichter bij de genezing van kanker gekomen zijn.
Natuurlijk lees ik dat allemaal. Soms zit ik werkelijk met open mond te kijken. En liefst wil ik dan ook weten hoe het werkt en wanneer het beschikbaar zou kunnen worden.
Vijf jaar? Tien jaar? Dan begin ik te rekenen. En dat is tegenwoordig niet altijd even plezierig. Want de wetenschap heeft misschien nog twintig jaar om haar werk te doen. Ik vermoed dat ze mij zoveel tijd niet meer gaat gunnen.
Alhoewel, ge weet nooit.
Een vliegende auto hoeft voor mij niet meer. En een huishoudrobot die fatsoenlijk de afwas doet, zou mooi meegenomen zijn, maar ik red mij voorlopig nog wel.
Een paar jaar zonder kanker, daar zou ik tegenwoordig al heel tevreden mee zijn.
En als ze Ettertje niet definitief buiten krijgen, mogen ze hem van mijn part voorlopig nog een tijdje in bedwang houden.