Samen en toch alleen

Gepubliceerd op 25 oktober 2026 om 02:26

Een paar weken geleden schreef ik over ons nieuwe hoog-laagbed. Een prachtig ding, elektrisch verstelbaar, met meer knopjes dan mijn eerste auto. We hadden het gekocht voor later, wanneer het allemaal wat moeilijker zou worden.

Nou, later heeft blijkbaar haast. 
Dat bed staat er nog maar pas en ik lig er al iedere nacht in. Beneden, in mijn nieuwe slaapkamer. Mevr Willy slaapt boven, in ons oude bed.
Na meer dan een halve eeuw samen hebben we dus ieder onze eigen slaapkamer. Niet omdat we elkaar beu zijn, niet omdat er een andere vrouw in het spel is, en ook niet omdat ik tegenwoordig zo verschrikkelijk snurk. Alhoewel, dat laatste heeft er wel iets mee te maken.
Nee, het is gewoon weer Ettertje die zich met ons huishouden bemoeit. Die heeft ondertussen al zoveel te zeggen gekregen dat ik mij afvraag waarom hij eigenlijk nog geen eigen sleutel heeft.

En het vervelende is dat die nieuwe regeling uitstekend werkt.
Ik kan gaan slapen wanneer ik wil, mijn bed in alle mogelijke standen zetten, om twee uur wakker worden en om drie uur achter mijn computer kruipen. Daar kan ik dan een paar uur zitten schrijven terwijl boven Mevr Willy rustig doorslaapt. Geen gesleur meer met dekens, geen CPAP die haar wakker blaast en geen gekreun en gevloek wanneer ik voor de zoveelste keer probeer een houding te vinden waarin mijn rug zich een beetje fatsoenlijk gedraagt.

Mevr Willy heeft haar nachtrust terug en ik heb beneden mijn eigen kleine koninkrijk. Met een elektrisch bed als troon en een hele verzameling pillen als hofhouding. Wat kan een mens nog meer verlangen?

Wel, Mevr Willy bijvoorbeeld.
Overdag is er nauwelijks iets veranderd. We drinken onze koffie, eten samen, vertellen elkaar van alles en nog wat, maken ruzie over onnozelheden en vijf minuten later is het alweer vergeten. Onze vrijdagse tête-à-tête bestaat ook nog altijd, al heeft Ettertje intussen zelfs de wijn van tafel gejaagd. Een mens mag tegenwoordig blijkbaar nog wel gezellig doen, zolang hij er maar niet te veel plezier aan beleeft.

Maar 's avonds komt er een moment waarop Mevr Willy naar boven gaat en ik beneden achterblijf. Zij kruipt in het bed waarin we zoveel jaren samen geslapen hebben en ik hijs mij in mijn nieuwe elektrische wondermachine.
En verdorie, daar heb ik het soms moeilijk mee. Ik mis haar gewoon. En dan bedoel ik niet de seks. Daar heeft Ettertje jaren geleden al korte metten mee gemaakt. Prostaat eruit, zenuwen beschadigd en gedaan met de pret. Ge kunt daar nog zoveel mooie woorden aan vuilmaken als ge wilt, maar een erectie krijgt ge er niet van terug.
Dat was destijds ook een hele boterham om te slikken. Meer dan ik toen wilde toegeven, denk ik. Niet alleen voor mij, ook voor haar. Want kanker mag dan wel in één lichaam zitten, hij slaagt er verdomd goed in om met twee mensen tegelijk aan de haal te gaan.
Maar we hadden elkaar nog. We konden tegen elkaar aan kruipen, een arm om elkaar heen slaan, wat liggen knuffelen. Na zoveel jaren samen hoeft ge trouwens niet meer iedere avond te bewijzen dat ge elkaar graag ziet. Ge kent elkaar ondertussen wel.

En toen kwam de CPAP.
Probeer maar eens romantisch te zijn met een masker op uw snoet, een slang aan uw hoofd en een luchtpomp die klinkt alsof ge op intensieve zorgen ligt. Als ik mij omdraaide, kreeg Mevr Willy een frisse storm over haar gezicht. Ze kon er nog net geen windmolentje op aansluiten.
Dus kwam er een groot kussen tussen ons in. Onze eigen Berlijnse Muur van dons.
Maar zelfs toen lagen we nog samen. Ik kon 's nachts mijn hand uitsteken en haar voelen liggen. Soms een been dat tegen het mijne kwam. Een voet die ergens onder de dekens de verkeerde afslag nam. Of ik werd wakker en hoorde haar naast mij ademen. Dat laatste klinkt misschien wat onnozel, maar na meer dan vijftig jaar is dat een geluid waar ge blijkbaar aan gehecht raakt.

Nu hoor ik alleen nog mijn eigen CPAP blazen. En soms, wanneer ik wakker word, steek ik bijna automatisch mijn hand uit. Een beweging die ik duizenden keren gemaakt heb, zonder erbij na te denken. Alleen ligt daar nu niemand. Een leeg stuk matras.
En dat doet iets met een mens, verdorie. Ik weet ook wel dat ze boven ligt. Eén verdieping hoger, meer niet. Als ik echt zou willen, kan ik de trap op en binnen een halve minuut naast haar staan.

Ik denk dan weleens aan de mensen die hun partner verloren hebben. Mensen die na veertig, vijftig of zestig jaar samen thuiskomen en niemand meer aantreffen. Die misschien nog altijd twee kopjes uit de kast nemen, of zich betrappen op de neiging iets te vertellen aan iemand die er niet meer is. Hoe ge na al die jaren in uw eentje dat bed in kruipt, terwijl ge goed genoeg weet dat de andere helft nooit meer bezet zal zijn. Ik kan mij nauwelijks voorstellen hoe ge daarmee verder moet. Bij mij ligt Mevr Willy boven. Ik kan haar nog roepen, aanraken, vastpakken. Bij hen is er niemand meer die antwoord geeft. En dan zit ik hier te zeuren omdat mijn vrouw een verdieping hoger slaapt.

Maar goh. Ik mis haar wel. 
Misschien is dat nog het vervelendste aan dat hele kankergedoe. Ge moet voortdurend iets afgeven. Eerst kleine dingen, dan grotere. En iedere keer moet ge u maar weer aanpassen. Ge moet positief blijven, vooruitkijken, oplossingen zoeken en vooral blij zijn met wat er nog wél kan.
Ge wordt daar op den duur behoorlijk handig in. Ik ben ondertussen zelfs een specialist geworden in het afscheid nemen van dingen die ik helemaal niet kwijt wilde. Mijn werk. Mijn conditie. Mijn mannelijkheid. Een groot stuk van mijn vrijheid. En nu dus ook nog de gewone vanzelfsprekendheid om 's avonds naast mijn vrouw te kruipen. Het zijn geen drama's op zich, althans niet allemaal. Ge vindt een oplossing en ge gaat verder. Dat doen we al jaren.

Maar al die oplossingen samen beginnen toch verdacht veel op een steeds kleiner wordend leven te lijken. En ik begin stilaan een hekel te krijgen aan dat woordje aanpassen. Alsof het allemaal zo eenvoudig is. Ge past uw bed aan, uw medicatie, uw dagindeling, uw verwachtingen. Ge leert leven met pijn, met vermoeidheid, met een lijf dat niet meer wil meewerken. En als ge daarmee klaar zijt, staat er alweer iets anders aan de deur.

En ondertussen moet ge maar hopen dat ge ook nog een beetje tijd overhoudt om gewoon te leven.

Ik weet niet of Mevr Willy dat allemaal op dezelfde manier ervaart. We hebben het er natuurlijk over gehad, maar zij is ook iemand die zich niet voortdurend met haar gevoelens op de voorgrond dringt. Ze ziet dat ik beneden beter terechtkan, dat mijn nachten rustiger verlopen en dat zij eindelijk weer eens behoorlijk kan slapen.

En ze heeft gelijk. Natuurlijk heeft ze gelijk. Alleen zou ik soms zo graag nog eens gewoon naast haar wakker worden..

Nou, het leven gaat  verder. Ook beneden. Maar soms, tussen twee pijnscheuten door, voel ik hoezeer ik dat oude, gewone samen slapen mis. En dan word ik kwaad. Niet op Mevr Willy, niet op dat bed en zelfs niet op mezelf, maar op die verdomde kanker die zich met alles moet bemoeien. Die blijkbaar nog niet genoeg heeft aan mijn botten, mijn zenuwen, mijn nachtrust en mijn toekomst, maar nu ook nog een plaatsje opeist tussen mij en mijn vrouw.
En het ergste is dat hij zijn zin krijgt. Want we blijven natuurlijk apart slapen. We zijn niet gek. Het is de beste oplossing en dat weten we allebei. Misschien went het ook wel, zoals zoveel andere dingen ondertussen gewend zijn geraakt.

Maar ik had zo graag zelf beslist wanneer we aan aparte slaapkamers toe waren. Of liever nog, helemaal nooit.

Vanavond gaat Mevr Willy weer naar boven. Ik zal haar welterusten wensen, misschien nog een kus geven en daarna naar mijn kamer gaan. Mijn bed staat daar al klaar, met zijn afstandsbediening, zijn verstelbare rugleuning en al dat andere prachtige technische vernuft.

Een fantastisch bed, echt.

Alleen had ik er liever nooit alleen in gelegen.