Status Quo — Voor Hoelang ?

Gepubliceerd op 24 oktober 2026 om 03:36

Op de drieëntwintigste dag van oktober gingen de zware deuren van het Huis der Pijnmeesters opnieuw open. Binnen lagen de kaarten van T4 en T5 uitgespreid over een lange tafel. De Ribbenwal stond erop, de zwarte burchten van Ettertje, de oude gangen onder de bergen en overal kleine tekens waar de voorbije maanden gevochten was.

Veel nieuwe tekens kwamen er die dag niet bij.
Ettertje zat nog altijd waar hij zat. Zijn zwarte vlaggen wapperden boven T4 en T5, zijn muren stonden overeind en langs de donkere wegen uit het achterland bleven kleine groepjes nieuwe krijgers zijn vestingen binnentrekken. De verkenners telden ze nauwkeurig en schreven hun bevindingen iedere keer opnieuw in hetzelfde zwarte boek.

PSA.

Het getal steeg nog altijd. Niet met hele legers tegelijk, maar langzaam genoeg om te weten dat achter die muren niemand werkloos zat.
Aan de Ribbenwal zelf was het ondertussen merkwaardig rustig geworden. Sinds de komst van Dexamethason waren de grote stormlopen grotendeels stilgevallen. De witte magiër had geen muren veroverd en geen zwarte vlag neergehaald. Hij was ergens onder de Ribbenwal verdwenen, op zoek naar de vuurhaarden waarmee Ettertje al maanden de rotsen deed gloeien, en sindsdien leek een deel van dat vuur gedoofd.

Niet alles.

Want helemaal stil hield Ettertje zich geen enkele dag. Er kwam nog altijd wel ergens een pijl door een vergeten opening, een dolk tussen twee stenen of wat gerommel uit een van de oude gangen. Vooral wanneer de wachters te lang op dezelfde plaats bleven zitten, wist hij blijkbaar nog altijd precies waar de zwakste voegen zaten. Het waren geen aanvallen meer waarmee hij de hele Ribbenwal aan het wankelen bracht, eerder kleine uitvallen waarmee hij iedere dag opnieuw even tegen de poorten duwde.

En juist dat maakte niemand helemaal gerust. Misschien waren het alleen plaagstoten van een vijand die zelf vermoeid was geraakt. Misschien liep hij gewoon langs de muren en probeerde hij iedere kier uit, op zoek naar de plaats waar hij ooit opnieuw met heel zijn leger naar buiten kon breken. Niemand wist het. De nachten waarin alle poorten tegelijk kraakten waren voorlopig verdwenen, maar niemand aan deze kant van de Ribbenwal was vergeten hoe snel zo'n klein gerommel vroeger tot een stormloop kon uitgroeien.

De Pijnmeesters liepen langs de verdedigingswerken. 
Fentanyl stond nog altijd op de buitenste wallen, zwaar en zwijgzaam, zijn mantel dag en nacht over het rijk uitgespreid. Oxycodon hield met zijn geharnaste troepen de hoofdpoorten bezet. Pregabaline zwierf door de ondergrondse zenuwgangen en strooide er zijn geheimzinnige poeders, zodat steeds meer van Ettertjes boodschappers ergens onderweg de weg kwijtraakten. En diep onder de muren werkte Dexamethason verder aan de vuurhaarden.

De verdediging hield, maar het rijk betaalde er een hoge prijs voor.
De oude nevels waren nog altijd niet opgetrokken. Ze hingen tussen de huizen, kropen door de gangen van het paleis en maakten de wachters loom. Sommige vielen bijna rechtstaand in slaap. In de Kroniekenzaal zakte de ganzenveer geregeld uit handen en in de rustvertrekken brandden overdag vaker kaarsen dan vroeger. De troepen hielden Ettertje buiten, maar namen bij iedere wacht ook een stukje levenskracht van het eigen rijk mee.

Daarom besloten de Pijnmeesters geen nieuwe legers op te roepen zolang de muren hielden.

De bestaande troepen bleven waar ze stonden en alleen de ruiters van OxyNorm kregen ruimere bevelen. Tot nu toe hadden zij vooral in hun stallen gewacht tot ergens een poort werkelijk op springen stond. Voortaan mochten ze sneller uitrukken wanneer Ettertje in de late namiddag opnieuw dichter tegen de Ribbenwal begon te duwen. Eén ruiter kon genoeg zijn om hem terug te jagen, later eventueel nog een tweede, zelfs meer nog, zolang de paarden niet uitgeput raakten en de nevel die achter hun hoeven bleef hangen niet opnieuw heel het rijk onder een dikke deken legde.

Ook de wachten werden herschikt. Nog vóór het eerste ochtendlicht zouden Oxycodon en Pregabaline hun posten innemen. Overdag konden de poorten dan zoveel mogelijk openblijven. De boeren naar hun velden, de wandelaars over de wegen, de hovelingen naar hun bezigheden. Beweging bleek een verrassend goede bondgenoot; Ettertje hield er blijkbaar niet van wanneer het rijk te levendig werd.

Pas tegen de late namiddag, wanneer de eerste wachters vermoeid raakten en de schaduwen langer werden, zou de cavalerie dichter bij de poorten worden opgesteld. Niet om een nieuwe veldslag te beginnen, maar om de tijd te rekken tot de avondwacht het kon overnemen.

Het was geen groot militair plan en al helemaal geen meesterzet. Eerder wat schuiven met wat er nog op het bord stond. Een ruiter te vroeg en de nevel viel over het rijk wanneer de zon nog hoog stond. Een ruiter te laat en Ettertje had alweer tijd genoeg om ergens een dolk tussen de stenen te wringen. De komende dagen zou dus vooral gekeken worden wanneer welke wacht nodig was en hoe lang de muren het hielden zonder dat de verdedigers zelf erbij neervielen.

Beneden in het dal begon men dat voorzichtig vooruitgang te noemen. Boven op T4 werd daar voorlopig anders over gedacht. Ettertje had zich misschien teruggetrokken in zijn burcht, maar achter zijn muren bleef het druk. De smeden werkten. De voorraadkamers werden gevuld en uit het achterland bleven nieuwe soldaten toestromen. Klein, bijna onzichtbaar, maar iedere maand stonden er weer wat meer namen in het zwarte boek. En ondertussen bleven zijn verkenners dagelijks afdalen naar de Ribbenwal om te kijken of ergens een wachter verslapte.

De Hoge Krijgsraad wist dus heel goed dat deze rust niet noodzakelijk vrede betekende. Misschien was Ettertje werkelijk verzwakt. Misschien spaarde hij alleen zijn krachten. Het vervelende aan een vijand achter dikke muren is dat ge pas weet wat hij van plan was wanneer de poorten opengaan.

Daarom bleven diep onder het hoofdkwartier de grote arsenalen bewaakt. Achter de eerste ijzeren deur lagen de geschriften van Radium. Achter een tweede rustte Cabazitaxel. En nog dieper, achter sloten die voorlopig niet geopend werden, lag Lutetium te wachten.

Niemand was die wapens vergeten.

De kaarten werden bestudeerd, de oude verslagen opnieuw gelezen en boodschappers reden af en aan tussen de verschillende huizen van geneesheren. Wanneer Ettertje opnieuw een groot leger zou verzamelen, mocht niemand dan nog moeten beginnen zoeken waar de sleutels lagen.

Maar voorlopig bleven de deuren dicht. Want een oorlog beginnen is gemakkelijk wanneer ge alleen naar de vijand kijkt. Moeilijker wordt het wanneer ge ook ziet hoeveel soldaten ge zelf nog over hebt.
Het rijk had de voorbije maanden genoeg verloren. Wachters stonden met vermoeide ogen op de muren, paarden van de cavalerie hadden nauwelijks rust gekregen en zelfs in het paleis waren steeds meer kamers ingericht om uitgeputte manschappen even neer te leggen. Nog een groot offensief zou misschien Ettertje harder treffen, maar niemand wist hoeveel van het eigen rijk daarna nog overeind zou staan.

Daarom werd voor een andere strategie gekozen: standhouden. Niet uit lafheid en ook niet omdat iemand dacht dat Ettertje plots goede bedoelingen had gekregen, maar zolang zijn pijlen de muren niet doorboorden, de poorten niet kraakten en de huidige legers hem binnen zijn zwarte burcht konden houden, hoefde de Grote Oorlog nog niet opnieuw te beginnen. Ettertje mocht in zijn achterland verder ronselen. De verkenners zouden blijven tellen, de Krijgsraad zou de kaarten op tafel houden en ondertussen probeerden de wachters aan deze kant van de Ribbenwal vooral hun posten te bewaren zonder zelf om te vallen.

Zo was er stilaan iets ontstaan wat in de kronieken later misschien een wapenstilstand zou worden genoemd, al had niemand ooit een verdrag gezien en zou Ettertje waarschijnlijk nog liever zijn eigen staart opeten dan ergens zijn handtekening onder zetten. Een echte vrede was het dus niet. Eerder een gewapende stilte waarin iedere kleine uitval opnieuw dezelfde vraag opriep: is dit het weer, of probeert hij alleen maar?

Boven op T4 brandt daarom nog altijd licht. Beneden lopen Fentanyl en Oxycodon hun wachten, Pregabaline dwaalt door de ondergrondse gangen en de ruiters van OxyNorm houden hun paarden gezadeld voor het geval ergens opnieuw alarm wordt geslagen. Dexamethason zit nog altijd diep onder de Ribbenwal bij de vuurhaarden en probeert daar zoveel mogelijk van Ettertjes gestook te doven.
En nog dieper, achter de zware deuren van het hoofdkwartier, liggen de sleutels van de grote arsenalen klaar. Iedereen weet waar ze liggen en iedereen weet ook waarom ze daar liggen. Misschien blijven die deuren nog lang dicht. Misschien staat er morgen opnieuw een boodschapper buiten adem op de binnenplaats.

En daar begint de onrust. Ge weet pas dat deze stilte voorbij is wanneer Ettertje beslist dat ze voorbij is.

Tot dan houden de wachters de poorten in het oog.